
Vorderingen van een natuurlijke persoon vallen in het algemeen in box 3 van de inkomstenbelasting. Er zijn echter uitzonderingen op deze hoofdregel. Zo worden de voordelen die iemand geniet uit een vordering die hij heeft op een ondernemer onder omstandigheden gerekend tot de winst uit onderneming. De schuldenaar moet het geleende geld dan hebben aangewend voor zijn onderneming en verder moet de vordering feitelijk functioneren als vermogen van deze onderneming of de rente moet over de gehele looptijd bezien afhankelijk zijn van de winst van de onderneming van de schuldenaar.
Iemand leende geld uit aan zijn voormalige assurantietussenpersoon, die dit geld doorleende aan een zogenaamde wonderbelegger. De eerste lening kende een vaste rente van 1% per maand. Volgens de overeenkomst van geldlening was de rente niet winstafhankelijk. De tweede lening kende een rente van ongeveer 3% per maand. Voor zover de voormalige assurantietussenpersoon ondernemer was, stond door dit verschil in rente vast dat hij op het tijdstip van het aangaan van de geldleningen in staat moet zijn geweest de verschuldigde rente van 1% te betalen. Daarmee was de rente over de geldlening niet afhankelijk van de winst van de voormalige assurantietussenpersoon.
De lening was ook niet verstrekt onder zodanige voorwaarden dat deze in feite functioneerde als eigen vermogen van de tussenpersoon, aangezien de schuldeiser wist dat deze de geleende bedragen zou doorlenen.