Voorziening voor aflossingspremie obligatielening toegestaan

Een NV gaf in 1994 een converteerbare obligatielening uit met een looptijd van tien jaar. De rente bedroeg 4,75% per jaar. Bij aflossing op de einddatum betaalde de NV de nominale waarde van de lening terug, vermeerderd met een premie van 38,9% van de hoofdsom. Op die manier konden de obligatiehouders een effectief rendement behalen van 7,5%. Voor deze zogenaamde aflossingspremie vormde de NV ten laste van het resultaat een voorziening, die per 31 december 1995 ƒ 29 miljoen bedroeg. De inspecteur had de vorming van de voorziening in 1994 geaccepteerd, maar weigerde de toevoeging in 1995. Volgens een arrest van de Hoge Raad mag een voorziening worden gevormd voor toekomstige uitgaven die hun oorsprong vinden in de periode voor de balansdatum, mits de uitgaven aan die periode kunnen worden toegerekend en er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de uitgaven gedaan zullen worden. De NV hoefde de aflossingspremie alleen te betalen bij aflossing van de obligaties bij het einde van de looptijd. Aan de eerste en de tweede voorwaarde was naar het oordeel van Hof Den Haag voldaan. De inspecteur bestreed dat overigens niet. Naar zijn mening was niet voldaan aan de derde voorwaarde, omdat in 1995 de beurskoers van de aandelen hoger was dan de conversiekoers. Aflossing op einddatum en dus betaling van de aflossingspremie was daardoor volgens de inspecteur niet waarschijnlijk. Het Hof deelde dat standpunt niet. Over de resterende looptijd van de lening bezien (vanaf 31 december 1995 nog bijna negen jaren) was allerminst zeker dat de beurskoers hoger dan de conversiekoers zou blijven. Er bestond een redelijke kans dat de NV voor het op 31 december 1995 uitstaande bedrag van de lening de aflossingspremie zou moeten betalen. De NV mocht daarom ten laste van de winst een voorziening op de balans vormen.
Een NV gaf in 1994 een converteerbare obligatielening uit met een looptijd van tien jaar. De rente bedroeg 4,75% per jaar. Bij aflossing op de einddatum betaalde de NV de nominale waarde van de lening terug, vermeerderd met een premie van 38,9% van de hoofdsom. Op die manier konden de obligatiehouders een effectief rendement behalen van 7,5%. Voor deze zogenaamde aflossingspremie vormde de NV ten laste van het resultaat een voorziening, die per 31 december 1995 ƒ 29 miljoen bedroeg. De inspecteur had de vorming van de voorziening in 1994 geaccepteerd, maar weigerde de toevoeging in 1995. Volgens een arrest van de Hoge Raad mag een voorziening worden gevormd voor toekomstige uitgaven die hun oorsprong vinden in de periode voor de balansdatum, mits de uitgaven aan die periode kunnen worden toegerekend en er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de uitgaven gedaan zullen worden. De NV hoefde de aflossingspremie alleen te betalen bij aflossing van de obligaties bij het einde van de looptijd. Aan de eerste en de tweede voorwaarde was naar het oordeel van Hof Den Haag voldaan. De inspecteur bestreed dat overigens niet. Naar zijn mening was niet voldaan aan de derde voorwaarde, omdat in 1995 de beurskoers van de aandelen hoger was dan de conversiekoers. Aflossing op einddatum en dus betaling van de aflossingspremie was daardoor volgens de inspecteur niet waarschijnlijk. Het Hof deelde dat standpunt niet. Over de resterende looptijd van de lening bezien (vanaf 31 december 1995 nog bijna negen jaren) was allerminst zeker dat de beurskoers hoger dan de conversiekoers zou blijven. Er bestond een redelijke kans dat de NV voor het op 31 december 1995 uitstaande bedrag van de lening de aflossingspremie zou moeten betalen. De NV mocht daarom ten laste van de winst een voorziening op de balans vormen.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u