Voorziening voor afkoop optierechten in later jaar is niet mogelijk

Een BV kende in 1997 aan drie werknemers optierechten op aandelen toe. Daarmee konden deze werknemers gedurende een bepaalde termijn en tegen betaling van de uitoefenprijs een aandeel in de BV verwerven. In verband met een verkoop van een groot deel van de aandelen door de enige aandeelhouder van de BV in 2000 kocht de BV een van de optierechten af voor een bedrag van ƒ 250.000. De andere twee optieovereenkomsten bleven in stand. Met de koper van de aandelen werd afgesproken, dat de kosten van de afkoop en de uitoefening van de optierechten voor rekening van de verkoper waren. In de aangifte vennootschapsbelasting 1999 wilde de BV bij de bepaling van de winst rekening houden met twee informele kapitaalstortingen door de aandeelhouder. Het ging om de afkoop van het optierecht en een voorziening voor de twee andere optierechten. De inspecteur corrigeerde de aangifte op dit punt, omdat er geen bedragen ten laste van de winst kunnen worden gebracht in verband met de gevolgen van een optieverplichting. Die gevolgen liggen in de kapitaalsfeer. De BV beriep zich op een besluit van de staatssecretaris van Financiën, dat een goedkeuring bevatte, waardoor in een aantal gevallen toch een last in verband met de afwikkeling van een optieverplichting kon worden genomen. Die goedkeuring was onder meer gebonden aan de voorwaarde, dat ter dekking van de werknemersoptierechten eigen aandelen zijn ingekocht. Aan deze voorwaarde voldeed de BV niet. Volgens het Hof kon de afkoop van het optierecht in 2000 met een inkoop van eigen aandelen worden gelijkgesteld. Een eventuele last kon echter niet in 1999 worden genomen, maar pas in 2000. Naar het oordeel van het Hof gold de goedkeuring van de staatssecretaris niet voor de vorming van een voorziening voor de optieverplichtingen. Op zijn vroegst kon in 2000 een last worden genomen. De door de inspecteur aangebrachte correcties bleven in stand.
Een BV kende in 1997 aan drie werknemers optierechten op aandelen toe. Daarmee konden deze werknemers gedurende een bepaalde termijn en tegen betaling van de uitoefenprijs een aandeel in de BV verwerven. In verband met een verkoop van een groot deel van de aandelen door de enige aandeelhouder van de BV in 2000 kocht de BV een van de optierechten af voor een bedrag van ƒ 250.000. De andere twee optieovereenkomsten bleven in stand. Met de koper van de aandelen werd afgesproken, dat de kosten van de afkoop en de uitoefening van de optierechten voor rekening van de verkoper waren. In de aangifte vennootschapsbelasting 1999 wilde de BV bij de bepaling van de winst rekening houden met twee informele kapitaalstortingen door de aandeelhouder. Het ging om de afkoop van het optierecht en een voorziening voor de twee andere optierechten. De inspecteur corrigeerde de aangifte op dit punt, omdat er geen bedragen ten laste van de winst kunnen worden gebracht in verband met de gevolgen van een optieverplichting. Die gevolgen liggen in de kapitaalsfeer. De BV beriep zich op een besluit van de staatssecretaris van Financiën, dat een goedkeuring bevatte, waardoor in een aantal gevallen toch een last in verband met de afwikkeling van een optieverplichting kon worden genomen. Die goedkeuring was onder meer gebonden aan de voorwaarde, dat ter dekking van de werknemersoptierechten eigen aandelen zijn ingekocht. Aan deze voorwaarde voldeed de BV niet. Volgens het Hof kon de afkoop van het optierecht in 2000 met een inkoop van eigen aandelen worden gelijkgesteld. Een eventuele last kon echter niet in 1999 worden genomen, maar pas in 2000. Naar het oordeel van het Hof gold de goedkeuring van de staatssecretaris niet voor de vorming van een voorziening voor de optieverplichtingen. Op zijn vroegst kon in 2000 een last worden genomen. De door de inspecteur aangebrachte correcties bleven in stand.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u