Voorziening sociaal plan toegestaan door verbod op activiteiten
Een BV wilde ten laste van haar winst in 1995 en 1996 een voorziening sociaal plan en een voorziening voor afwikkelingskosten vormen. Hof Amsterdam stond dat niet toe omdat niet was voldaan aan het vereiste dat de uitgaven waarvoor de BV de voorzieningen wilde vormen hun oorsprong vonden in feiten of omstandigheden, die zich voor de balansdatum hadden voorgedaan. Volgens het Hof had de BV pas in 1998 het besluit genomen om haar activiteiten te staken. Ultimo 1995 en 1996 liepen er geen concrete ontslagprocedures en evenmin had de BV aan werknemers ontslag aangezegd, zodat er geen verplichtingen in het kader van de uitvoering van het sociaal plan waren. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof, omdat het Hof had vastgesteld dat de Europese Commissie al in 1992 de activiteiten van de BV had verboden wegens onverenigbaarheid met het EG-verdrag. Dat verbod werd in 1995 door het Gerecht in Eerste Aanleg te Luxemburg bevestigd. Het Hof had hiermee rekening moeten houden in zijn oordeelvorming, omdat het verbod een aanleiding zou kunnen zijn voor het vormen van de voorzieningen. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Den Haag.
Een BV wilde ten laste van haar winst in 1995 en 1996 een voorziening sociaal plan en een voorziening voor afwikkelingskosten vormen. Hof Amsterdam stond dat niet toe omdat niet was voldaan aan het vereiste dat de uitgaven waarvoor de BV de voorzieningen wilde vormen hun oorsprong vonden in feiten of omstandigheden, die zich voor de balansdatum hadden voorgedaan. Volgens het Hof had de BV pas in 1998 het besluit genomen om haar activiteiten te staken. Ultimo 1995 en 1996 liepen er geen concrete ontslagprocedures en evenmin had de BV aan werknemers ontslag aangezegd, zodat er geen verplichtingen in het kader van de uitvoering van het sociaal plan waren. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof, omdat het Hof had vastgesteld dat de Europese Commissie al in 1992 de activiteiten van de BV had verboden wegens onverenigbaarheid met het EG-verdrag. Dat verbod werd in 1995 door het Gerecht in Eerste Aanleg te Luxemburg bevestigd. Het Hof had hiermee rekening moeten houden in zijn oordeelvorming, omdat het verbod een aanleiding zou kunnen zijn voor het vormen van de voorzieningen. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Den Haag.