Voorziening gedifferentieerde WAO-premie niet toegestaan
Op 1 januari 1998 is de Wet Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) in werking getreden. De WAO-premie vormt een werkgeverslast die sinds die datum uit twee delen bestaat, namelijk een voor iedere werkgever gelijke basispremie en een gedifferentieerde premie. Daarvan is de hoogte afhankelijk van de afwijking van het aantal arbeidsongeschikte werknemers bij een individuele werkgever ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Voor de in de toekomst verschuldigde gedifferentieerde premies wilde een werkgever in zijn jaarrekening 2001 een voorziening opnemen. Volgens de Hoge Raad is het vormen van een voorziening voor toekomstige uitgaven mogelijk als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:- de toekomstige uitgaven vinden hun oorsprong in de periode voorafgaande aan de balansdatum;- de toekomstige uitgaven kunnen aan die periode worden toegerekend;- er bestaat een redelijke mate van zekerheid dat de toekomstige uitgaven zich zullen voordoen.Hof Amsterdam was van oordeel dat aan de eerste voorwaarde niet werd voldaan. De feiten uit de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben wel invloed op de hoogte van de gedifferentieerde premie, maar dat heeft niet tot gevolg dat de toekomstige uitgaven voor de verzekering van het arbeidsongeschiktheidsrisico hun oorsprong vinden in deze periode. Deze uitgaven zijn mede afhankelijk van de loonsom in het jaar dat volgt op het jaar waarin de gedifferentieerde premie is vastgesteld. Ook aan de tweede voorwaarde werd niet voldaan.Kosten van arbeid moeten worden toegerekend aan het jaar waarin de arbeid wordt verricht. Toekomstige premies voor arbeidsongeschiktheid worden opgeroepen door het loon dat door de werknemers wordt genoten voor in de toekomst te verrichten arbeid. Wanneer de werkgever zou besluiten op de balansdatum de bedrijfsuitoefening te staken zijn in de toekomst geen premies verschuldigd. Het Hof stond de vorming van de voorziening niet toe.
Op 1 januari 1998 is de Wet Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) in werking getreden. De WAO-premie vormt een werkgeverslast die sinds die datum uit twee delen bestaat, namelijk een voor iedere werkgever gelijke basispremie en een gedifferentieerde premie. Daarvan is de hoogte afhankelijk van de afwijking van het aantal arbeidsongeschikte werknemers bij een individuele werkgever ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Voor de in de toekomst verschuldigde gedifferentieerde premies wilde een werkgever in zijn jaarrekening 2001 een voorziening opnemen. Volgens de Hoge Raad is het vormen van een voorziening voor toekomstige uitgaven mogelijk als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:- de toekomstige uitgaven vinden hun oorsprong in de periode voorafgaande aan de balansdatum;- de toekomstige uitgaven kunnen aan die periode worden toegerekend;- er bestaat een redelijke mate van zekerheid dat de toekomstige uitgaven zich zullen voordoen.Hof Amsterdam was van oordeel dat aan de eerste voorwaarde niet werd voldaan. De feiten uit de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben wel invloed op de hoogte van de gedifferentieerde premie, maar dat heeft niet tot gevolg dat de toekomstige uitgaven voor de verzekering van het arbeidsongeschiktheidsrisico hun oorsprong vinden in deze periode. Deze uitgaven zijn mede afhankelijk van de loonsom in het jaar dat volgt op het jaar waarin de gedifferentieerde premie is vastgesteld. Ook aan de tweede voorwaarde werd niet voldaan.Kosten van arbeid moeten worden toegerekend aan het jaar waarin de arbeid wordt verricht. Toekomstige premies voor arbeidsongeschiktheid worden opgeroepen door het loon dat door de werknemers wordt genoten voor in de toekomst te verrichten arbeid. Wanneer de werkgever zou besluiten op de balansdatum de bedrijfsuitoefening te staken zijn in de toekomst geen premies verschuldigd. Het Hof stond de vorming van de voorziening niet toe.