
Bij de erfrechtelijke verkrijging van (een aandeel in) een onderneming kan de bedrijfsopvolgingsfaciliteit worden toegepast als de verkrijger de onderneming voortzet.
De waarde van het ondernemingsvermogen kan geheel of gedeeltelijk worden aangemerkt als te conserveren waarde. Het ondernemingsvermogen wordt in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer met inbegrip van de goodwill. De waarde is echter minimaal gelijk aan de liquidatiewaarde. De liquidatiewaarde is de som van de waarde in het economische verkeer van de afzonderlijke delen van dat ondernemingsvermogen.
De waarde van een eventuele last of tegenprestatie komt niet in mindering op de waarde van de bestanddelen van het ondernemingsvermogen.
In een procedure voor de rechtbank Arnhem ging het om de vraag of langlopende schulden en belastinglatenties tegenprestaties zijn als hiervoor bedoeld.
De belanghebbende had op basis van een voortzettingsbeding in het maatschapscontract de activa en passiva van de maatschap overgenomen. Volgens de rechtbank hoefde de belanghebbende voor de verkrijging van deze vermogensbestanddelen geen tegenprestatie te verrichten.
Bij de berekening van het successierecht ter zake van de fictieve verkrijging op grond van het voortzettingsbeding zijn de overgenomen passiva in mindering gebracht. Voor de overgenomen schulden hoeft dan ook geen tegemoetkoming voor de heffing van successierecht gegeven te worden.
De rechtbank oordeelde dat de belastinglatentie evenmin kwalificeerde als een tegenprestatie. Ook de belastinglatentie maakte onderdeel uit van de verkregen vermogensbestanddelen en werd op de verkrijging in mindering gebracht.
De liquidatiewaarde van de onderneming was niet in geschil. De belastinglatentie van € 56.484 moest naar evenredigheid aan de verschillende onderdelen van de te conserveren waarde worden toegerekend.
Partijen waren het niet eens over de wijze waarop de voortzettingswaarde moest worden berekend. De belanghebbende wilde geen gebruik maken van een rekenmodel dat door het ministerie van Financiën is gepubliceerd in een besluit. Met toepassing van de discounted cash flowmethode berekende de belanghebbende de voortzettingswaarde op € 126.532. De inspecteur meende dat wanneer geen gebruik wordt gemaakt van het rekenmodel van Financiën de voortzettingswaarde niet mocht worden berekend met de discounted cash flowmethode maar moest worden bepaald met de rentabiliteitsmethode. Een dergelijke berekening had de inspecteur echter niet gemaakt. De rechtbank stelde de voortzettingswaarde vast op de door de belanghebbende berekende waarde.