Voortbestaan onderneming verhinderde overgang bedrijfsmiddelen naar privé
Een ondernemer wilde zijn onderneming stoppen. Hij verhuurde onder andere een aantal onroerende zaken. In 1997 en 1998 verkocht hij één van die zaken en wilde hij twee andere onroerende zaken naar privé overbrengen. Hof Amsterdam stelde vast, dat er nog steeds sprake was van ondernemerschap. Dat had tot gevolg, dat de panden, die destijds terecht tot het ondernemingsvermogen gerekend waren, niet zonder bijzondere omstandigheden naar privé konden overgaan. De bij de verkoop en levering van het pand in 1997 behaalde boekwinst gaf de ondernemer niet aan. Hij verwerkte deze in een vervangingsreserve, ondanks dat hij niet het voornemen tot vervanging had. De inspecteur kwam er pas bij de behandeling van de aangifte 1998 achter hoe hoog de boekwinst was en dat het vervangingsvoornemen ontbrak. De aanslag over 1997 stond toen al vast. Volgens het Hof mocht de inspecteur daarom het bedrag van de vervangingsreserve ad ƒ 163.910 in de winst van 1998 opnemen. Ten aanzien van het tweede pand was het Hof van oordeel, dat er geen omstandigheden waren om de keuze voor ondernemingsvermogen te herzien in 1997. Het pand bleef daarom tot de verkoop in 1998 ondernemingsvermogen. Het transactieresultaat was onderdeel van de winst uit onderneming van dat jaar. Het ging om een woonhuis, dat werd verhuurd. Het woonhuis werd verkocht aan de zoon van de huurster, die het korte tijd later voor een veel hoger bedrag vrij van huur verkocht. De inspecteur wilde bij de vaststelling van de winst uitgaan van dat laatste bedrag, omdat de eerdere verkoop niet aan een derde had plaatsgevonden. De zoon van de huurster was namelijk de vroegere partner van de ondernemer. Volgens het Hof had de inspecteur niet bewezen, dat de ondernemer wist dat de prijs bij verkoop aan de ex-partner te laag was of dat hij wist, dat de huur korte tijd later zou worden beëindigd. De bij verkoop van het derde pand behaalde boekwinst behoorde tot de winst over 1998. Dat was het gevolg van het oordeel dat in dat jaar nog sprake was van een onderneming.
Een ondernemer wilde zijn onderneming stoppen. Hij verhuurde onder andere een aantal onroerende zaken. In 1997 en 1998 verkocht hij één van die zaken en wilde hij twee andere onroerende zaken naar privé overbrengen. Hof Amsterdam stelde vast, dat er nog steeds sprake was van ondernemerschap. Dat had tot gevolg, dat de panden, die destijds terecht tot het ondernemingsvermogen gerekend waren, niet zonder bijzondere omstandigheden naar privé konden overgaan. De bij de verkoop en levering van het pand in 1997 behaalde boekwinst gaf de ondernemer niet aan. Hij verwerkte deze in een vervangingsreserve, ondanks dat hij niet het voornemen tot vervanging had. De inspecteur kwam er pas bij de behandeling van de aangifte 1998 achter hoe hoog de boekwinst was en dat het vervangingsvoornemen ontbrak. De aanslag over 1997 stond toen al vast. Volgens het Hof mocht de inspecteur daarom het bedrag van de vervangingsreserve ad ƒ 163.910 in de winst van 1998 opnemen. Ten aanzien van het tweede pand was het Hof van oordeel, dat er geen omstandigheden waren om de keuze voor ondernemingsvermogen te herzien in 1997. Het pand bleef daarom tot de verkoop in 1998 ondernemingsvermogen. Het transactieresultaat was onderdeel van de winst uit onderneming van dat jaar. Het ging om een woonhuis, dat werd verhuurd. Het woonhuis werd verkocht aan de zoon van de huurster, die het korte tijd later voor een veel hoger bedrag vrij van huur verkocht. De inspecteur wilde bij de vaststelling van de winst uitgaan van dat laatste bedrag, omdat de eerdere verkoop niet aan een derde had plaatsgevonden. De zoon van de huurster was namelijk de vroegere partner van de ondernemer. Volgens het Hof had de inspecteur niet bewezen, dat de ondernemer wist dat de prijs bij verkoop aan de ex-partner te laag was of dat hij wist, dat de huur korte tijd later zou worden beëindigd. De bij verkoop van het derde pand behaalde boekwinst behoorde tot de winst over 1998. Dat was het gevolg van het oordeel dat in dat jaar nog sprake was van een onderneming.