Voordeel uit onroerendgoedtransactie was belast
Een door een bank aangestelde interimmanager was betrokken bij een bedrijfssanering. Het bedrijfspand met bovenwoningen werd, rekening houdend met een nog te sluiten huurovereenkomst met het bedrijf, getaxeerd op ƒ 432.000. De bedrijfseigenaar wilde het bedrijfspand alleen verkopen wanneer hij dit zou kunnen huren voor een, volgens de betrokken taxateur irreële huurprijs van ƒ 30.000 per jaar. Een vroegere zakenpartner van de interimmanager kocht het bedrijfspand met de bovenwoningen eind 1997 vervolgens op naam van zijn dochter voor een bedrag van ƒ 426.800. De dochter en haar vader leenden voor de financiering een bedrag van ƒ 300.000 van de bank voor een periode van 7 maanden. De vader financierde het restant uit eigen middelen. Vervolgens trof de dochter een “winstdelingsregeling” met de interimmanager. Op grond van deze overeenkomst kwam de aan- en verkoop van de onroerende zaken voor gezamenlijke rekening en risico. Met de verkoper werd een huurovereenkomst gesloten voor een periode van vijf jaar. Volgens de algemene bepalingen van de huurovereenkomst had de verhuurder de mogelijkheid de huurovereenkomst te beëindigen indien beslag zou worden gelegd op zaken van de huurder. In het voorjaar van 1998 legde de bank beslag op een aantal aan haar verpande museumstukken van de bedrijfseigenaar. Hoewel er op dat tijdstip geen huurachterstand was, maakte de verhuurder gebruik van de mogelijkheid de overeenkomst te beëindigen. De kantonrechter stelde de datum waarop de huur eindigde vast op 10 juli 1999.De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van de onroerende zaken bedroeg volgens een taxatie die in opdracht van de bedrijfseigenaar was uitgevoerd ƒ 980.000.De interimmanager verkocht de onroerende zaken per medio 1999 voor ƒ 2.000.000. De dochter verwerkte de verkooptransactie niet in haar aangifte inkomstenbelasting 1999.De inspecteur legde een navorderingsaanslag op, waarbij hij het behaalde voordeel becijferde op een bedrag van ƒ 775.000. Daarbij legde hij een vergrijpboete op van 25 % van de nagevorderde belasting/premie volksverzekeringen. Hof Arnhem was van oordeel dat de inspecteur het behaalde voordeel terecht als belast had aangemerkt. De aankoop was geschied om bij wederverkoop een voorzienbaar voordeel te behalen. Van belang bij dit oordeel was de rol en de kennis van de interimmanager, die werden toegerekend aan de dochter.Het Hof stelde vast dat sprake was van een zeer gunstige aankoopprijs die was gebaseerd op een gekapitaliseerde waarde van een zeer lage huursom en de door de slechte financiële positie min of meer gedwongen verkoop, waarvan de interimmanager goed op de hoogte was.De interimmanager had kennis van en contacten in de onroerendgoedmarkt en was daardoor in staat potentiële gegadigden te vinden voor de onroerende zaken en had al eerder met de vader onroerendgoedtransacties gedaan.Verder werd in de winstdelingsregeling al gesproken over de doorverkoop van de onroerende zaken en werd na de beslaglegging door de bank de huurovereenkomst beëindigd terwijl er op dat moment geen huurachterstand was. Gelet op deze feiten en omstandigheden was het aan grove schuld van de dochter te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting was geheven. Een vergrijpboete van 25 % vond het Hof dan ook terecht. Gelet op de periode tussen het opleggen van de onderhavige vergrijpboete en de datum van de uitspraak van drie jaar en vier maanden verminderde het Hof de opgelegde boete met 10 % tot ƒ 101.460.
Een door een bank aangestelde interimmanager was betrokken bij een bedrijfssanering. Het bedrijfspand met bovenwoningen werd, rekening houdend met een nog te sluiten huurovereenkomst met het bedrijf, getaxeerd op ƒ 432.000. De bedrijfseigenaar wilde het bedrijfspand alleen verkopen wanneer hij dit zou kunnen huren voor een, volgens de betrokken taxateur irreële huurprijs van ƒ 30.000 per jaar. Een vroegere zakenpartner van de interimmanager kocht het bedrijfspand met de bovenwoningen eind 1997 vervolgens op naam van zijn dochter voor een bedrag van ƒ 426.800. De dochter en haar vader leenden voor de financiering een bedrag van ƒ 300.000 van de bank voor een periode van 7 maanden. De vader financierde het restant uit eigen middelen. Vervolgens trof de dochter een “winstdelingsregeling” met de interimmanager. Op grond van deze overeenkomst kwam de aan- en verkoop van de onroerende zaken voor gezamenlijke rekening en risico. Met de verkoper werd een huurovereenkomst gesloten voor een periode van vijf jaar. Volgens de algemene bepalingen van de huurovereenkomst had de verhuurder de mogelijkheid de huurovereenkomst te beëindigen indien beslag zou worden gelegd op zaken van de huurder. In het voorjaar van 1998 legde de bank beslag op een aantal aan haar verpande museumstukken van de bedrijfseigenaar. Hoewel er op dat tijdstip geen huurachterstand was, maakte de verhuurder gebruik van de mogelijkheid de overeenkomst te beëindigen. De kantonrechter stelde de datum waarop de huur eindigde vast op 10 juli 1999.De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van de onroerende zaken bedroeg volgens een taxatie die in opdracht van de bedrijfseigenaar was uitgevoerd ƒ 980.000.De interimmanager verkocht de onroerende zaken per medio 1999 voor ƒ 2.000.000. De dochter verwerkte de verkooptransactie niet in haar aangifte inkomstenbelasting 1999.De inspecteur legde een navorderingsaanslag op, waarbij hij het behaalde voordeel becijferde op een bedrag van ƒ 775.000. Daarbij legde hij een vergrijpboete op van 25 % van de nagevorderde belasting/premie volksverzekeringen. Hof Arnhem was van oordeel dat de inspecteur het behaalde voordeel terecht als belast had aangemerkt. De aankoop was geschied om bij wederverkoop een voorzienbaar voordeel te behalen. Van belang bij dit oordeel was de rol en de kennis van de interimmanager, die werden toegerekend aan de dochter.Het Hof stelde vast dat sprake was van een zeer gunstige aankoopprijs die was gebaseerd op een gekapitaliseerde waarde van een zeer lage huursom en de door de slechte financiële positie min of meer gedwongen verkoop, waarvan de interimmanager goed op de hoogte was.De interimmanager had kennis van en contacten in de onroerendgoedmarkt en was daardoor in staat potentiële gegadigden te vinden voor de onroerende zaken en had al eerder met de vader onroerendgoedtransacties gedaan.Verder werd in de winstdelingsregeling al gesproken over de doorverkoop van de onroerende zaken en werd na de beslaglegging door de bank de huurovereenkomst beëindigd terwijl er op dat moment geen huurachterstand was. Gelet op deze feiten en omstandigheden was het aan grove schuld van de dochter te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting was geheven. Een vergrijpboete van 25 % vond het Hof dan ook terecht. Gelet op de periode tussen het opleggen van de onderhavige vergrijpboete en de datum van de uitspraak van drie jaar en vier maanden verminderde het Hof de opgelegde boete met 10 % tot ƒ 101.460.