
Wanneer een werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking een aandelenoptierecht heeft gekregen, is het voordeel dat de werknemer bij de uitoefening van het optierecht geniet onderdeel van zijn loon.
In een procedure voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag op welk moment het voordeel uit de uitoefening van het optierecht moest worden bepaald. Er zat namelijk een koersverschil tussen het moment waarop de werknemer zijn optierecht uitoefende en het moment waarop de aandelen aan hem werden geleverd. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de wet duidelijk is. Het voordeel moet worden berekend uitgaande van de waarde van de aandelen op het moment van uitoefening van de opties. De daling van de aandelenkoers vanaf die datum is een vermogensverlies voor de werknemer dat niet in mindering komt op het genoten voordeel. Wel hield de rechtbank rekening met een bescheiden afwaardering van de aandelen vanwege het feit dat de werknemer in de periode tussen uitoefening van het optierecht en levering van de aandelen niet over de aandelen kon beschikken.