Voor successierecht mag eigen woning sinds 2002 niet meer in bewoonde staat worden gewaardeerd
Iemand overleed in 2002. Hij was getrouwd in gemeenschap van goederen. Tot die gemeenschap behoorde de woning waarin het gezin woonde. De man had een testament gemaakt. Zijn echtgenote was voor 5/9 deel en zijn twee kinderen waren ieder voor 2/9 deel erfgenaam. In de aangifte successierecht is de woning aangegeven naar de waarde in bewoonde staat. Volgens de tekst van de successiewet zoals die tot 1 januari 2002 gold, was die waardering juist. Met ingang van 1 januari 2002 moet echter de waarde in het economische verkeer worden aangegeven in vrij opleverbare staat. Om die reden corrigeerde de inspecteur de aangifte. In de procedure voor Hof Den Haag was de waarde van de woning op de sterfdatum in geschil. De inspecteur had deze op € 192.000 gesteld. De erfgenamen bepleitten een waarde van € 140.000, uitgaande van de WOZ-waarde per 1 januari 1999 met een stijging van 11% per jaar. Het hof vond deze stijging niet in overeenstemming met de werkelijkheid en sloot zich daarom aan bij het standpunt van de inspecteur. Omdat deze heeft toegegeven, dat zijn schatting te hoog zou kunnen zijn en de erfgenamen die waarde bestreden, stelde het Hof de waarde vast op € 185.000.
Iemand overleed in 2002. Hij was getrouwd in gemeenschap van goederen. Tot die gemeenschap behoorde de woning waarin het gezin woonde. De man had een testament gemaakt. Zijn echtgenote was voor 5/9 deel en zijn twee kinderen waren ieder voor 2/9 deel erfgenaam. In de aangifte successierecht is de woning aangegeven naar de waarde in bewoonde staat. Volgens de tekst van de successiewet zoals die tot 1 januari 2002 gold, was die waardering juist. Met ingang van 1 januari 2002 moet echter de waarde in het economische verkeer worden aangegeven in vrij opleverbare staat. Om die reden corrigeerde de inspecteur de aangifte. In de procedure voor Hof Den Haag was de waarde van de woning op de sterfdatum in geschil. De inspecteur had deze op € 192.000 gesteld. De erfgenamen bepleitten een waarde van € 140.000, uitgaande van de WOZ-waarde per 1 januari 1999 met een stijging van 11% per jaar. Het hof vond deze stijging niet in overeenstemming met de werkelijkheid en sloot zich daarom aan bij het standpunt van de inspecteur. Omdat deze heeft toegegeven, dat zijn schatting te hoog zou kunnen zijn en de erfgenamen die waarde bestreden, stelde het Hof de waarde vast op € 185.000.