
Op grond van de Nederlandse wet op de Omzetbelasting 1968 is het verlaagde tarief ondermeer van toepassing op het verlenen van toegang tot openbare musea, sportwedstrijden en attractieparken.
De exploitant van een sportstadion hanteerde het lage tarief niet alleen voor het verlenen van toegang tot evenementen die plaatsvonden in het stadion, maar ook voor rondleidingen door het stadion gekoppeld aan een bezoek aan het museum van de sportvereniging die zijn thuishaven in het stadion had.
Hof Amsterdam deelde de opvatting van de rechtbank Haarlem dat de rondleiding samen met het museumbezoek als één dienst moest worden beschouwd.
Het hof was van oordeel dat het stadion een primair voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening was. De rondleidingen door het stadion vielen in de categorie vermaak of dagrecreatie, aangezien recreatie een ruim begrip is dat in de samenleving heel verschillend wordt ervaren. Het feit dat de tour slechts een deel van een dag duurde, brengt niet mee dat geen sprake is van vermaak of dagrecreatie. Volgens het hof vielen de rondleidingen onder het lage tarief omzetbelasting.