Vetgehalte partij melkpoeder ten onrechte bepaald aan de hand van beperkt monster
Een bedrijf had een vergunning van het Productschap Zuivel voor de invoer van 240.000 kg volle melkpoeder en de bewerking of verwerking daarvan. De in de vergunning aangegeven samenstelling van het melkpoeder was ongeveer 26% vet. Een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst (AID) nam bij een onderzoek naar de naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden een monster van het nog aanwezige restant van een bepaalde partij melkpoeder. Het vetgehalte van het monster was 27,9%. Op grond daarvan moest het bedrijf ƒ 61.443 aan douanerechten betalen aan het Productschap. Hof Amsterdam liet de naheffing douanerechten in stand omdat de ambtelijke monsteropneming niet onjuist of onregelmatig was geweest en het genomen monster representatief was voor de ingevoerde goederen. Door het vetgehalte van het al verwerkte deel van de aangegeven en onder de douaneregeling actieve veredeling geplaatste partij melkpoeder niet van belang te achten miskende het Hof volgens de Hoge Raad dat niet ieder deel van de partij een vetgehalte van circa 26% moest hebben, maar dat de aangegeven partij in haar geheel dat vetgehalte moest hebben. Het Hof had niet vastgesteld dat de samenstelling van de partij melkpoeder homogeen was. In de procedure voor het Hof voerde het bedrijf nog aan dat uit het aangifteformulier bleek dat de aangegeven partij bestond uit verschillende productiepartijen, afkomstig van verschillende producenten. Het vetgehalte kon daarom van productiepartij tot productiepartij verschillen. Zelfs per productiepartij was de samenstelling van het volle melkpoeder niet homogeen. Omdat uit de bevinding van de AID het tegendeel niet bleek en dat in de procedure ook niet meer mogelijk was door een niet voor rekening van het bedrijf komende omstandigheid, vernietigde de Hoge Raad de uitnodiging tot betaling van douanerechten.
Een bedrijf had een vergunning van het Productschap Zuivel voor de invoer van 240.000 kg volle melkpoeder en de bewerking of verwerking daarvan. De in de vergunning aangegeven samenstelling van het melkpoeder was ongeveer 26% vet. Een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst (AID) nam bij een onderzoek naar de naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden een monster van het nog aanwezige restant van een bepaalde partij melkpoeder. Het vetgehalte van het monster was 27,9%. Op grond daarvan moest het bedrijf ƒ 61.443 aan douanerechten betalen aan het Productschap. Hof Amsterdam liet de naheffing douanerechten in stand omdat de ambtelijke monsteropneming niet onjuist of onregelmatig was geweest en het genomen monster representatief was voor de ingevoerde goederen. Door het vetgehalte van het al verwerkte deel van de aangegeven en onder de douaneregeling actieve veredeling geplaatste partij melkpoeder niet van belang te achten miskende het Hof volgens de Hoge Raad dat niet ieder deel van de partij een vetgehalte van circa 26% moest hebben, maar dat de aangegeven partij in haar geheel dat vetgehalte moest hebben. Het Hof had niet vastgesteld dat de samenstelling van de partij melkpoeder homogeen was. In de procedure voor het Hof voerde het bedrijf nog aan dat uit het aangifteformulier bleek dat de aangegeven partij bestond uit verschillende productiepartijen, afkomstig van verschillende producenten. Het vetgehalte kon daarom van productiepartij tot productiepartij verschillen. Zelfs per productiepartij was de samenstelling van het volle melkpoeder niet homogeen. Omdat uit de bevinding van de AID het tegendeel niet bleek en dat in de procedure ook niet meer mogelijk was door een niet voor rekening van het bedrijf komende omstandigheid, vernietigde de Hoge Raad de uitnodiging tot betaling van douanerechten.