
Een ondernemer die een vliegtuig gebruikte om parachutespringers in de lucht te brengen, claimde de toepassing van het lage tarief. In zijn opvatting was het vliegtuig een sportaccommodatie. Het vervoeren van parachutespringers om hen vanuit een vliegtuig te laten springen moest in die optiek worden vergeleken met skydiven in een windtunnel.
Volgens de belastingdienst bestond de prestatie van de ondernemer uit het vervoer van personen en niet uit het geven van gelegenheid tot sportbeoefening.
De rechtbank oordeelde dat parachutespringen een vorm van actieve sportbeoefening is, maar dat de ondernemer slechts optrad als vervoerder omdat hij geen andere diensten als het geven van instructie, begeleiding tijdens de sprong of vervoer na de landing aanbood. De dienst van de ondernemer kon niet worden aangemerkt als het recht om gebruik te maken van een sportaccommodatie of als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening. Omdat aan die omschrijvingen niet was voldaan, gold het normale tarief voor de omzetbelasting.