Vervangingsreserve voor binnen FE verhuurd pand kon na verbreken FE in stand blijven
Een BV verhuurde een bedrijfspand aan een andere BV. Dat gebeurde binnen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Het pand werd verkocht en de fiscale eenheid vormde met de boekwinst op het pand een vervangingsreserve. In het volgende jaar werden de aandelen van de BV, die het pand had verhuurd, verkocht. Daardoor werd de fiscale eenheid verbroken. Er was nog geen nieuw pand aangeschaft. Hof Den Bosch vond dat daarom de vervangingsreserve in het jaar van verbreking van de fiscale eenheid moest vrijvallen. Volgens het Hof was de boekwinst behaald bij de verkoop van een pand dat in eigen gebruik was, terwijl het vervangingsvoornemen was gericht op de verhuur van een pand aan een derde, omdat de verhuurder en huurder geen onderdeel meer waren van de fiscale eenheid. De Hoge Raad was het met die redenering niet eens. De kwalificatie eigen gebruik was een gevolg van het bestaan van de fiscale eenheid. Zonder rekening te houden met het bestaan daarvan ging het om een verhuurd pand. De fiscale eenheid mocht een vervangingsreserve vormen vanwege het voornemen om het verkochte pand te vervangen door een ander verhuurd pand. Niet van belang was, dat de vervangingsreserve in de aangifte van de moedermaatschappij van de fiscale eenheid was verwerkt. Ook na het verbreken van de fiscale eenheid had de voormalige eigenaar van het pand nog het voornemen tot vervanging. Daarom mocht ook ultimo 1995 deze BV de vervangingsreserve op haar balans opnemen.
Een BV verhuurde een bedrijfspand aan een andere BV. Dat gebeurde binnen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Het pand werd verkocht en de fiscale eenheid vormde met de boekwinst op het pand een vervangingsreserve. In het volgende jaar werden de aandelen van de BV, die het pand had verhuurd, verkocht. Daardoor werd de fiscale eenheid verbroken. Er was nog geen nieuw pand aangeschaft. Hof Den Bosch vond dat daarom de vervangingsreserve in het jaar van verbreking van de fiscale eenheid moest vrijvallen. Volgens het Hof was de boekwinst behaald bij de verkoop van een pand dat in eigen gebruik was, terwijl het vervangingsvoornemen was gericht op de verhuur van een pand aan een derde, omdat de verhuurder en huurder geen onderdeel meer waren van de fiscale eenheid. De Hoge Raad was het met die redenering niet eens. De kwalificatie eigen gebruik was een gevolg van het bestaan van de fiscale eenheid. Zonder rekening te houden met het bestaan daarvan ging het om een verhuurd pand. De fiscale eenheid mocht een vervangingsreserve vormen vanwege het voornemen om het verkochte pand te vervangen door een ander verhuurd pand. Niet van belang was, dat de vervangingsreserve in de aangifte van de moedermaatschappij van de fiscale eenheid was verwerkt. Ook na het verbreken van de fiscale eenheid had de voormalige eigenaar van het pand nog het voornemen tot vervanging. Daarom mocht ook ultimo 1995 deze BV de vervangingsreserve op haar balans opnemen.