
De belastingdienst legde aan een werkgever een naheffingsaanslag loonbelasting op met toepassing van het anoniementarief. De werkgever had niet aan zijn administratieve verplichtingen voldaan omdat hij de juistheid van de identiteitsbewijzen van meerdere werknemers niet had gecontroleerd en van meerdere werknemers geen afschrift van het identiteitsbewijs in zijn loonadministratie had opgenomen. Tegelijkertijd legde de inspecteur een boete op, die bij de uitspraak op bezwaar werd verminderd tot 25% van de nageheven belasting. In beroep tegen de uitspraak op bezwaar was de rechtbank van oordeel dat de werknemer grove schuld kon worden verweten, zodat de boete van € 2.408 passend en geboden was. In hoger beroep volgde het hof het oordeel van de rechtbank.
De werknemer vond dat de redelijke termijn voor het opleggen van een boete was overschreden. De periode van het opleggen van de boete tot de uitspraak van de rechtbank bedroeg vier jaar en vier maanden, waarvan ruim drie jaren voor de behandeling van het bezwaarschrift. De behandeling van het bezwaar was vertraagd door het voorleggen van de zaak aan het ministerie van Financiën. Het hof stelde vast dat de behandeling van het bezwaarschrift een tijd had stilgelegen. Voor zover dat een gevolg was van onderzoek naar de toepassing van het anoniementarief in het algemeen was deze vertraging voor rekening van de inspecteur. Het hof vond dat de redelijke termijn was overschreden en verminderde de boete tot € 2.000.