
Het begrip loon in de Wet op de Loonbelasting is zeer ruim en omvat alle voordelen die iemand uit zijn dienstbetrekking ontvangt. Het privégebruik van zaken, die de werkgever ter beschikking stelt of die de werkgever integraal vergoedt, is onderdeel van het loon. In een aantal gevallen gelden bijzondere waarderingsregels voor de bepaling van het loon. Daarnaast is in een aantal gevallen belastingvrije vergoeding of verstrekking mogelijk. Dat geldt tegenwoordig voor telefoon en internet als het zakelijk gebruik daarvan meer dan 10% bedraagt. Voorheen was dat anders.
Twee procedures voor de Hoge Raad hadden betrekking op een naheffingsaanslag loonheffing die was opgelegd voor het privégebruik van een aantal werknemers met een mobiele telefoon van de zaak. Voor deze werknemers was de mobiele telefoon een tweede telefoon. De naheffingsaanslag was opgelegd uitgaande van het forfaitaire bedrag voor privégebruik van een telefoon uit de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 van € 22,69 per maand. Hof den Bosch en Hof Amsterdam waren van oordeel dat het forfait niet van toepassing was. Daarnaast diende rekening gehouden te worden met de belastingvrije vergoeding van de abonnementskosten van een tweede telefoon. Beide hoven beperkten de naheffingsaanslag tot het privédeel van de gesprekskosten.
De Hoge Raad is van oordeel dat de forfaitaire waardering wel het uitgangspunt vormt in deze zaken. De wetgever heeft toegestaan dat er nadere regels met normeringen en beperkingen worden gesteld. Deze regels bevatten onder meer de forfaitaire waardering van de tot het loon behorende verstrekking van een telefoon op een bedrag van € 22,69 per maand. Inherent aan een forfait is dat de feitelijke kosten in een concreet geval hoger of lager kunnen uitvallen.
De Hoge Raad onderschrijft het oordeel dat de Uitvoeringsregeling onverbindend is voor zover het forfait ook de waarde van het abonnement van een tweede (of volgende) telefoon omvat als het zakelijk karakter van dat abonnement meer dan bijkomstig is. In die gevallen kan het abonnement immers belastingvrij worden verstrekt. In gevallen waarin de werkgever niet alleen het abonnement maar ook de gesprekskosten betaalt, kan dan niet in een forfaitaire waardering een bedrag aan abonnementskosten zijn opgenomen.
Hof Arnhem moet nu onderzoeken welk gedeelte van het forfaitaire bedrag bestaat uit abonnementskosten.