Verschillende behandeling kinderopvang in loon- en inkomstenbelasting is toegestaan
De regeling voor de aftrek van kosten van kinderopvang in de inkomstenbelasting wijkt af van de wijze waarop in de loonbelasting de kosten van kinderopvang kunnen worden vergoed of het voordeel, dat de werknemer heeft wanneer de werkgever de kinderopvang betaalt wordt vastgesteld. Dat verschil zit in een aantal factoren. Het niet aftrekbare gedeelte (de eigen bijdrage, die voor eigen rekening van de ouders dient te komen) is hoger dan het gedeelte van de kosten, dat niet mag worden vergoed. Verder is de aftrek aan een maximum gebonden, waar de vergoeding niet is begrensd. Tenslotte is bepalend voor de hoogte van de aftrek het inkomen van beide partners, waar in de loonbelasting uitsluitend met het salaris van de betreffende werknemer rekening hoeft te worden gehouden. Al met al gaat het om behoorlijke verschillen, die grote invloed hebben op de netto inkomens. Hoewel de Hoge Raad de verschillen erkent, is naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake van ongeoorloofde discriminatie, omdat er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor dit verschil in behandeling.
De regeling voor de aftrek van kosten van kinderopvang in de inkomstenbelasting wijkt af van de wijze waarop in de loonbelasting de kosten van kinderopvang kunnen worden vergoed of het voordeel, dat de werknemer heeft wanneer de werkgever de kinderopvang betaalt wordt vastgesteld. Dat verschil zit in een aantal factoren. Het niet aftrekbare gedeelte (de eigen bijdrage, die voor eigen rekening van de ouders dient te komen) is hoger dan het gedeelte van de kosten, dat niet mag worden vergoed. Verder is de aftrek aan een maximum gebonden, waar de vergoeding niet is begrensd. Tenslotte is bepalend voor de hoogte van de aftrek het inkomen van beide partners, waar in de loonbelasting uitsluitend met het salaris van de betreffende werknemer rekening hoeft te worden gehouden. Al met al gaat het om behoorlijke verschillen, die grote invloed hebben op de netto inkomens. Hoewel de Hoge Raad de verschillen erkent, is naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake van ongeoorloofde discriminatie, omdat er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor dit verschil in behandeling.