Veroordeling tot proceskostenvergoeding door ontbreken procesbelang
Het UWV ging om principiële redenen bij de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank daarin de wet niet juist zou hebben uitgelegd. Het UWV was het met de rechtsgevolgen van de uitspraak wel eens en verzocht de Centrale Raad van Beroep daarom de uitspraak van de rechtbank te vernietigen met instandhouding van de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep wegens onvoldoende belang niet ontvankelijk. Voor een ontvankelijk beroep is een direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een beslissing nodig. Dat belang ontbrak in deze procedure. Door toch een procedure te beginnen handelde het UWV onrechtmatig ten opzichte van de wederpartij. De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 644.
Het UWV ging om principiële redenen bij de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank daarin de wet niet juist zou hebben uitgelegd. Het UWV was het met de rechtsgevolgen van de uitspraak wel eens en verzocht de Centrale Raad van Beroep daarom de uitspraak van de rechtbank te vernietigen met instandhouding van de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep wegens onvoldoende belang niet ontvankelijk. Voor een ontvankelijk beroep is een direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een beslissing nodig. Dat belang ontbrak in deze procedure. Door toch een procedure te beginnen handelde het UWV onrechtmatig ten opzichte van de wederpartij. De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 644.