
Een stichting kreeg jaarlijks van de gemeente een vergunning om in de zomer gedurende een aantal weekenden een festival te organiseren in een park. Dat park was een openbare, voor iedereen toegankelijke, ruimte. Tijdens het festival was er een tijdelijke waterput. De kosten van het afgenomen water werden aan de stichting doorberekend. Het Hoogheemraadschap legde ieder jaar een aanslag verontreinigingsheffing op. De stichting mocht volgens de vergunning geen entree heffen van het publiek. Het festivalterrein was daarom voor iedereen te allen tijde gratis en zonder belemmeringen toegankelijk. Hof Amsterdam was van oordeel dat het festivalterrein niet als een bedrijfsruimte kon worden aangemerkt, omdat geen sprake is van een “als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein”. Daarom ontbrak de grondslag voor het opleggen van aanslagen verontreinigingsheffing.
De Hoge Raad oordeelde anders. Volgens een arrest uit 1984 is een terrein een afzonderlijk geheel als het kan worden gebruikt zonder dat de gebruiker afhankelijk is van voorzieningen op een andere plaats. Het openbare karakter is niet van belang voor de kwalificatie als bedrijfsruimte. Omdat uit de uitspraak van het Hof niet blijkt dat het festivalterrein niet kan worden gebruikt zonder dat de gebruiker afhankelijk is van elders aanwezige voorzieningen geldt het terrein als bedrijfsruimte. Omdat de stichting op het festivalterrein activiteiten organiseerde en daarvoor water- en toiletvoorzieningen heeft laten aanbrengen, geldt de stichting voor de verontreinigingsheffing als gebruiker. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Haag voor beoordeling van de geschilpunten waaraan Hof Amsterdam niet is toegekomen. Hof Den Haag liet de opgelegde aanslag in stand.