
In een procedure over een de WOZ-beschikking van een woning verklaarde de heffingsambtenaar van de gemeente op de zitting bij de rechtbank dat hij de beschikking en daarop gebaseerde aanslag OZB introk. De heffingsambtenaar heeft de intrekking niet bevestigd aan belanghebbende of aan de rechtbank. In hoger beroep verklaarde de heffingsambtenaar dat hij kort na de zitting had bedacht dat hij de verklaring ten onrechte had afgelegd. De vraag was of de WOZ-beschikking en de aanslag OZB in stand waren gebleven.
Volgens Hof Amsterdam voldeed een mondeling intrekking zonder schriftelijke bevestiging niet. De wet schrijft voor dat beschikkingen schriftelijk moeten worden ingetrokken. Gevolg daarvan was dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de belanghebbende geen belang meer had bij het door hem ingestelde beroep. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank was daarom gegrond. Wel vond het hof dat de heffingsambtenaar gebonden was aan zijn verklaring ter zitting. De belanghebbende had uit de uitspraak van de rechtbank begrepen dat de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking en de aanslag OZB zou vernietigen. Pas elf weken later ontving de belanghebbende het hoger beroepschrift waaruit hij begreep dat de heffingsambtenaar zijn standpunt had gewijzigd. Het hof honoreerde het beroep van de belanghebbende op het vertrouwensbeginsel en vernietigde de WOZ-beschikking en de aanslag OZB.