Vermindering in plaats van negatieve voorlopige aanslag
De inspecteur heeft de mogelijkheid om een belastingplichtige zowel positieve als negatieve voorlopige aanslagen op te leggen. Een voorlopige aanslag kan worden gevolgd door een of meer voorlopige aanslagen. Wanneer een opgelegde voorlopige aanslag te hoog blijkt te zijn (dat kan uit de later ingediende aangifte blijken), kan de inspecteur een negatieve voorlopige aanslag opleggen. In plaats daarvan kan de inspecteur echter ook de oorspronkelijke voorlopige aanslag ambtshalve verminderen. Voor het te betalen belastingbedrag maakt het niet uit welke wijze de inspecteur kiest, maar voor de berekening of vergoeding van rente kan het wel uitmaken.
De inspecteur legde in 2006 aan een BV een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting op over het jaar 2006 van € 147.950. Volgens de in 2007 ingediende aangifte moest de BV over 2006 € 50.024 aan vennootschapsbelasting betalen. De inspecteur verminderde de voorlopige aanslag ambtshalve tot € 50.024. Over de teruggaaf werd rente vergoed vanaf 1 januari 2007 tot en met 22 september 2007. Over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006 werd geen rente vergoed.
Wanneer de inspecteur een negatieve voorlopige aanslag voor het bedrag van de vermindering had opgelegd, dan had hij volgens de wet heffingsrente moeten vergoeden van 1 juli 2006 tot en met 22 september 2007. De keuze van de inspecteur voor vermindering van de aanslag leverde de BV dus een rentenadeel op. De rechtbank Breda vond dat niet redelijk en kende de BV alsnog een vergoeding van rente over het tweede halfjaar van 2006 toe. Van belang daarvoor vond de rechtbank dat de bevoegdheid om een aanslag ambtshalve te verminderen is bedoeld voor situaties waarin de bezwaartermijn van een aanslag is verlopen.
De inspecteur heeft de mogelijkheid om een belastingplichtige zowel positieve als negatieve voorlopige aanslagen op te leggen. Een voorlopige aanslag kan worden gevolgd door een of meer voorlopige aanslagen. Wanneer een opgelegde voorlopige aanslag te hoog blijkt te zijn (dat kan uit de later ingediende aangifte blijken), kan de inspecteur een negatieve voorlopige aanslag opleggen. In plaats daarvan kan de inspecteur echter ook de oorspronkelijke voorlopige aanslag ambtshalve verminderen. Voor het te betalen belastingbedrag maakt het niet uit welke wijze de inspecteur kiest, maar voor de berekening of vergoeding van rente kan het wel uitmaken.
De inspecteur legde in 2006 aan een BV een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting op over het jaar 2006 van € 147.950. Volgens de in 2007 ingediende aangifte moest de BV over 2006 € 50.024 aan vennootschapsbelasting betalen. De inspecteur verminderde de voorlopige aanslag ambtshalve tot € 50.024. Over de teruggaaf werd rente vergoed vanaf 1 januari 2007 tot en met 22 september 2007. Over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006 werd geen rente vergoed.
Wanneer de inspecteur een negatieve voorlopige aanslag voor het bedrag van de vermindering had opgelegd, dan had hij volgens de wet heffingsrente moeten vergoeden van 1 juli 2006 tot en met 22 september 2007. De keuze van de inspecteur voor vermindering van de aanslag leverde de BV dus een rentenadeel op. De rechtbank Breda vond dat niet redelijk en kende de BV alsnog een vergoeding van rente over het tweede halfjaar van 2006 toe. Van belang daarvoor vond de rechtbank dat de bevoegdheid om een aanslag ambtshalve te verminderen is bedoeld voor situaties waarin de bezwaartermijn van een aanslag is verlopen.