
Een VOF die producten importeerde uit het Verenigd Koninkrijk probeerde het valutarisico op de import in Engelse ponden af te dekken door valutahandel. De valutahandel geschiedde niet alleen in Engelse ponden, maar ook in andere valuta. De handel in andere valuta had geen enkele relatie met de activiteiten van de VOF en daarom kwam het verlies uit die handel niet ten laste van de winst van de VOF. De valutahandel vormde geen zelfstandige onderneming, maar een privéactiviteit waarvan het resultaat niet ten laste van het inkomen kon worden gebracht.