Verkoper kasgeldvennootschap niet aansprakelijk
In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw is er een levendige handel geweest in BV’s met liquide middelen en BV’s met fiscale reserves of verrekenbare verliezen. Omdat de kopers van dergelijke BV’s niet altijd even betrouwbaar waren, raakte de belastingdienst nogal eens een fiscale claim op dergelijke BV’s kwijt. Daarom kwam er in de Invorderingswet de mogelijkheid om de verkoper onder voorwaarden aansprakelijk te kunnen stellen voor door de vennootschap verschuldigde belasting. Een van de voorwaarden was dat de verkoper op het moment van de verkoop wist of kon weten dat de bezittingen van de BV na de verkoop zouden worden verduisterd om verhaal door de belastingdienst onmogelijk te maken.
Over een dergelijke aansprakelijkstelling van een verkoper moest Hof Den Haag oordelen. Volgens het Hof is de vervreemding van de aandelen in een kasgeldvennootschap met belastingschulden of belastinglatenties op zichzelf een geldige en betamelijke transactie. Een dergelijke transactie is geen indicatie dat de verkoper de vereiste kennis had of kon hebben. Ook de omstandigheid dat kopers van kasgeldvennootschappen bereid waren een gedeelte van de belastingschulden en latenties niet geheel mee te nemen bij de bepaling van de koopprijs, waardoor de verkoper een hoger bedrag ontving dan bij liquidatie het geval zou zijn geweest, maakt dergelijke transacties niet ongeldig of onbetamelijk. De belastingdienst moet bewijzen dat de verkoper wist dat de vennootschap na de aandelenoverdracht zou worden leeggehaald.
Aan een verkoper van een kasgeldvennootschap worden geen extra eisen als een bijzondere zorgvuldigheid of een onderzoeksplicht naar de bedoelingen van de kopers en naar hun financiële positie gesteld. Volgens het Hof kwam de belastingdienst met onvoldoende feiten om te kunnen concluderen dat de verkoper en zijn adviseurs ten tijde van de verkoop van de aandelen de vereiste wetenschap hadden en was de verkoper daarom niet aansprakelijk voor de onbetaald gebleven belastingen van de vennootschap.
In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw is er een levendige handel geweest in BV’s met liquide middelen en BV’s met fiscale reserves of verrekenbare verliezen. Omdat de kopers van dergelijke BV’s niet altijd even betrouwbaar waren, raakte de belastingdienst nogal eens een fiscale claim op dergelijke BV’s kwijt. Daarom kwam er in de Invorderingswet de mogelijkheid om de verkoper onder voorwaarden aansprakelijk te kunnen stellen voor door de vennootschap verschuldigde belasting. Een van de voorwaarden was dat de verkoper op het moment van de verkoop wist of kon weten dat de bezittingen van de BV na de verkoop zouden worden verduisterd om verhaal door de belastingdienst onmogelijk te maken.
Over een dergelijke aansprakelijkstelling van een verkoper moest Hof Den Haag oordelen. Volgens het Hof is de vervreemding van de aandelen in een kasgeldvennootschap met belastingschulden of belastinglatenties op zichzelf een geldige en betamelijke transactie. Een dergelijke transactie is geen indicatie dat de verkoper de vereiste kennis had of kon hebben. Ook de omstandigheid dat kopers van kasgeldvennootschappen bereid waren een gedeelte van de belastingschulden en latenties niet geheel mee te nemen bij de bepaling van de koopprijs, waardoor de verkoper een hoger bedrag ontving dan bij liquidatie het geval zou zijn geweest, maakt dergelijke transacties niet ongeldig of onbetamelijk. De belastingdienst moet bewijzen dat de verkoper wist dat de vennootschap na de aandelenoverdracht zou worden leeggehaald.
Aan een verkoper van een kasgeldvennootschap worden geen extra eisen als een bijzondere zorgvuldigheid of een onderzoeksplicht naar de bedoelingen van de kopers en naar hun financiële positie gesteld. Volgens het Hof kwam de belastingdienst met onvoldoende feiten om te kunnen concluderen dat de verkoper en zijn adviseurs ten tijde van de verkoop van de aandelen de vereiste wetenschap hadden en was de verkoper daarom niet aansprakelijk voor de onbetaald gebleven belastingen van de vennootschap.