
Bij de verkrijging van een onroerende zaak is 6% overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde van de zaak. De waarde van de zaak is volgens de wet tenminste gelijk aan de betaalde tegenprestatie. Meestal zal de betaalde koopsom gelijk zijn aan de waarde van de zaak. Wanneer de overheid een verkoopregulerend beding heeft opgelegd aan de verkrijger van een onroerende zaak geldt de tegenprestatie als maatstaf van belastingheffing, zonder rekening te houden met de uit het verkoopregulerende beding voortvloeiende lasten.
De vraag of er sprake was van een verkoopregulerend beding stond centraal in een procedure waarin een gemeente een boerderij verkocht aan een woningstichting voor een koopsom van € 1. De boerderij stond op de nominatie om te worden gesloopt en was gekraakt door een gezin dat eerder uit een woning van de stichting was gezet. De gemeente gedoogde het kraken. De stichting was verplicht om de boerderij te verkopen aan de gemeente voor € 1 zodra het gebruik van de boerderij door het gezin zou zijn geëindigd. De verkoopverplichting gold ook wanneer de gemeente de boerderij nodig had in het kader van herontwikkeling van het gebied waar de boerderij lag. De gemeente was verplicht om de stichting schadeloos te stellen. De belastingdienst taxeerde de boerderij op een waarde van € 200.000 en legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op van € 6.300. Bij de levering was € 5.700 aan overdrachtsbelasting betaald, uitgaande van een waarde van € 95.000.
Hof Leeuwarden meende dat de verplichtingen die de gemeente had opgelegd aan de stichting in de verkoopovereenkomst een verkoopregulerend beding vormden en vernietigde daarom de naheffingsaanslag. Volgens het Hof is de beperking van de maatstaf van heffing niet alleen bedoeld om een gemeente of woningbouwcorporatie in staat te stellen meer greep op het huisvestingsbeleid te krijgen en om speculatie in nieuwbouwwoningen tegen te gaan. De belastingdienst was van mening dat de wetsbepaling niet voor deze situatie was geschreven.