
Een procedure voor Hof Den Bosch had betrekking op het voordeel dat een werknemer genoot uit een optieregeling op aandelen. Volgens de optieregeling konden de opties op twee manieren worden uitgeoefend, namelijk door het leveren van aandelen aan de werknemer en door directe verkoop van de aandelen, waarbij het verschil tussen de verkoopopbrengst van de aandelen en de uitoefenprijs van de optie na aftrek van kosten en belastingen werd uitbetaald.
De werknemer koos in 2004 om 4.500 optierechten uit te oefenen volgens de tweede methode. De uitoefenprijs van het optierecht was op dat moment beduidend lager dan de koers van het aandeel. In navolging van de rechtbank vond het hof dat de tweede methode gesplitst moest worden in het uitoefenen van de optie en de verkoop van de aandelen. Bij het uitoefenen van de opties behaalde de werknemer een voordeel dat gelijk was aan het verschil tussen de koers van het aandeel en de uitoefenprijs van de optie. Voor de bepaling van het te belasten voordeel uit het optierecht waren de verkoopkosten van de aandelen niet van belang.