Verkoop pand voor te hoge prijs aan BV
Transacties tussen DGA’s en hun BV’s kunnen zich verheugen op een verhoogde belangstelling van de belastingdienst. Er is immers sprake van verbonden partijen. De kans dat tussen verbonden partijen een niet zakelijke prijs tot stand komt is groter dan bij een transactie tussen derden.
Een DGA verkocht in december 2000 het bedrijfspand dat hij voor zijn BV had laten bouwen en aan de BV verhuurde voor ƒ 2.900.000 aan de BV. De belastingdienst was van mening dat de verkoopprijs te hoog was en corrigeerde het inkomen van de DGA over 2000 vanwege een winstuitdeling door de BV aan de DGA. Volgens de huurovereenkomst zou de huurprijs per 1 januari 2001 ƒ 223.000 per jaar bedragen. De BV verhuurde het pand in 2001 aan haar werkmaatschappijen voor ƒ 240.000 per jaar. De inspecteur berekende de uitdeling op het verschil tussen de verkoopprijs van ƒ 2.900.000 en de waarde in het economische verkeer, die volgens taxatie ƒ 2.475.000 bedroeg. De taxatie van de belastingdienst berustte op een economische huurwaarde van ƒ 220.000. Volgens Hof Arnhem slaagde de inspecteur er niet in de door hem voorgestane waarde voldoende te onderbouwen, maar maakte hij wel voldoende aannemelijk dat de verkoopprijs te hoog bedrag was vastgesteld. De DGA slaagde er evenmin in om de verkoopprijs voldoende te onderbouwen. De overgelegde taxatie berustte op onjuiste uitgangspunten. Het Hof stelde de waarde van het pand vast op een bedrag van ƒ 2.750.000. De uitdeling bedroeg ƒ 150.000.
Transacties tussen DGA’s en hun BV’s kunnen zich verheugen op een verhoogde belangstelling van de belastingdienst. Er is immers sprake van verbonden partijen. De kans dat tussen verbonden partijen een niet zakelijke prijs tot stand komt is groter dan bij een transactie tussen derden.
Een DGA verkocht in december 2000 het bedrijfspand dat hij voor zijn BV had laten bouwen en aan de BV verhuurde voor ƒ 2.900.000 aan de BV. De belastingdienst was van mening dat de verkoopprijs te hoog was en corrigeerde het inkomen van de DGA over 2000 vanwege een winstuitdeling door de BV aan de DGA. Volgens de huurovereenkomst zou de huurprijs per 1 januari 2001 ƒ 223.000 per jaar bedragen. De BV verhuurde het pand in 2001 aan haar werkmaatschappijen voor ƒ 240.000 per jaar. De inspecteur berekende de uitdeling op het verschil tussen de verkoopprijs van ƒ 2.900.000 en de waarde in het economische verkeer, die volgens taxatie ƒ 2.475.000 bedroeg. De taxatie van de belastingdienst berustte op een economische huurwaarde van ƒ 220.000. Volgens Hof Arnhem slaagde de inspecteur er niet in de door hem voorgestane waarde voldoende te onderbouwen, maar maakte hij wel voldoende aannemelijk dat de verkoopprijs te hoog bedrag was vastgesteld. De DGA slaagde er evenmin in om de verkoopprijs voldoende te onderbouwen. De overgelegde taxatie berustte op onjuiste uitgangspunten. Het Hof stelde de waarde van het pand vast op een bedrag van ƒ 2.750.000. De uitdeling bedroeg ƒ 150.000.