Verkoop pand door BV aan DGA tegen te lage prijs was winstuitdeling
Een BV kocht in 1996 een woonhuis van haar DGA in lege staat voor ƒ 255.000. De BV bracht voor een bedrag van ƒ 41.000 verbeteringen aan het pand aan en verhuurde het pand aan studenten. Op 29 december 2000 verkocht de BV het pand in verhuurde staat aan haar DGA voor ƒ 230.000. De inspecteur corrigeerde de aangifte vennootschapsbelasting 2000 van de BV omdat het pand voor een te lage prijs was verkocht. Volgens de inspecteur was de waarde van het pand ƒ 370.000. De WOZ-waarde van het pand per 1 januari 1999 bedroeg ƒ 387.000 en was volgens partijen gelijk aan de waarde in het economische verkeer in lege staat op dat moment. Voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer per 29 december 2000 kon worden uitgegaan van een waardestijging van 20% sinds 1 januari 1999.Er bestond verschil van inzicht over de waardedrukkende factor van de verhuurde staat. Volgens de BV bedroeg deze factor 40 %; volgens de inspecteur maximaal 20. De BV wilde ook nog rekening houden met een aftrek wegens de staat van onderhoud en afwerking van het pand van ƒ 50.000. Hof Amsterdam was van oordeel dat de waardedruk niet meer dan 20 % bedroeg omdat aannemelijk was dat het pand binnen anderhalf jaar huurvrij kon worden gemaakt. Gezien het overgelegde taxatierapport was niet aannemelijk dat rekening moest worden gehouden met een aftrek wegens onderhoud. De BV moest zich volgens het Hof hebben gerealiseerd dat de overeengekomen verkoopprijs ruimschoots beneden de waarde in het economische verkeer lag en dus onzakelijk was. Ondanks de prijsstijging op de huizenmarkt lag de overeengekomen verkoopprijs lager dan de aankoopprijs in 1996. De BV had daarvoor geen redelijke verklaring kunnen geven. De verkoop tegen een onzakelijke prijs was een bevoordeling van de aandeelhouder, die volgens het Hof bedoeld was. De winstcorrectie was terecht aangebracht.
Een BV kocht in 1996 een woonhuis van haar DGA in lege staat voor ƒ 255.000. De BV bracht voor een bedrag van ƒ 41.000 verbeteringen aan het pand aan en verhuurde het pand aan studenten. Op 29 december 2000 verkocht de BV het pand in verhuurde staat aan haar DGA voor ƒ 230.000. De inspecteur corrigeerde de aangifte vennootschapsbelasting 2000 van de BV omdat het pand voor een te lage prijs was verkocht. Volgens de inspecteur was de waarde van het pand ƒ 370.000. De WOZ-waarde van het pand per 1 januari 1999 bedroeg ƒ 387.000 en was volgens partijen gelijk aan de waarde in het economische verkeer in lege staat op dat moment. Voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer per 29 december 2000 kon worden uitgegaan van een waardestijging van 20% sinds 1 januari 1999.Er bestond verschil van inzicht over de waardedrukkende factor van de verhuurde staat. Volgens de BV bedroeg deze factor 40 %; volgens de inspecteur maximaal 20. De BV wilde ook nog rekening houden met een aftrek wegens de staat van onderhoud en afwerking van het pand van ƒ 50.000. Hof Amsterdam was van oordeel dat de waardedruk niet meer dan 20 % bedroeg omdat aannemelijk was dat het pand binnen anderhalf jaar huurvrij kon worden gemaakt. Gezien het overgelegde taxatierapport was niet aannemelijk dat rekening moest worden gehouden met een aftrek wegens onderhoud. De BV moest zich volgens het Hof hebben gerealiseerd dat de overeengekomen verkoopprijs ruimschoots beneden de waarde in het economische verkeer lag en dus onzakelijk was. Ondanks de prijsstijging op de huizenmarkt lag de overeengekomen verkoopprijs lager dan de aankoopprijs in 1996. De BV had daarvoor geen redelijke verklaring kunnen geven. De verkoop tegen een onzakelijke prijs was een bevoordeling van de aandeelhouder, die volgens het Hof bedoeld was. De winstcorrectie was terecht aangebracht.