Verkoop bedrijf na inbreng in BV

De Wet IB 2001 kent de mogelijkheid om premies voor lijfrenten als uitgaven voor inkomensvoorziening in aftrek te brengen op het inkomen uit werk en woning. De lijfrente moet worden bedongen bij een professionele verzekeringsmaatschappij. Een lijfrente kan ook worden bedongen bij een in Nederland gevestigde BV die de lijfrenteverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan de BV. Over de vraag of sprake is van de overdracht van een onderneming heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen. Uit deze arresten blijkt dat het niet is toegestaan om een lijfrente te bedingen van een BV als ten tijde van de overdracht vaststaat dat de onderneming binnenkort zal worden geliquideerd of zal worden verkocht aan een derde.

De belastingdienst stelde zich op het standpunt dat deze omstandigheid zich voordeed bij de inbreng van een onderneming in een BV. Deze vond plaats in oktober 2002. Begin 2003 verkocht de BV de onderneming aan een derde. De belastingdienst weigerde de aftrek van de lijfrentepremies bij de inbrengers van de onderneming.

Volgens de rechtbank moet de beoordeling of bij het bedingen van de lijfrente al vast stond dat de onderneming aan een derde zou worden overgedragen geschieden naar de situatie op de oprichtingsdatum van de BV. De lijfrente was bedongen in de voorovereenkomst. Een BV is alleen aan voor haar oprichting en in haar naam verrichte rechtshandelingen gebonden als de BV deze rechtshandelingen bekrachtigt. Dat gebeurt meestal bij de oprichting.

Al in 2001 hadden de inbrengers de intentie om de onderneming te staken. Gezien de gebeurtenissen daarna lag de conclusie voor de hand dat er een geheel van rechtshandelingen was dat was gericht op het fiscaal zo gunstig mogelijk staken van de onderneming. De inbrengers kwamen met een afwijkende lezing van de gang van zaken. Aanvankelijk was sprake van de intentie om de onderneming te verkopen, maar die verdween toen de dochter en de schoonzoon van de inbrengers aangaven dat zij de onderneming voort wilden zetten. De verkoopactiviteiten werden op dat moment stopgezet. Vervolgens veranderden dochter en schoonzoon van gedachten en werd een koper buiten de familie gezocht. Die lezing werd ondersteund door verklaringen van diverse betrokkenen. De rechtbank vond deze verklaringen geloofwaardig. De inbrengers mochten daarom de premies voor de lijfrente ten laste van hun inkomen brengen.

Bij de overdracht van de onderneming hadden de inbrengers naast de lijfrente een winstrecht bedongen van de BV. De belastingdienst wilde het winstrecht als onderdeel van de stakingswinst in 2002 belasten. Goed koopmansgebruik laat echter toe om niet het winstrecht te belasten maar de uitkeringen in het jaar waarin zij worden ontvangen vanaf het moment waarop de uitkeringen de boekwaarde van de overgedragen onderneming overtreffen. Voorwaarde voor dit uitstel van winstneming is dat de uitkeringen uit het winstrecht voortvloeien uit de (materiƫle) onderneming die voorheen door de gerechtigde tot het winstrecht werd gedreven. De belastingdienst nam het standpunt in dat geen sprake was van een winstrecht omdat de inbrengers wisten dat de aan de BV overgedragen onderneming zou worden verkocht aan een derde. De rechtbank deelde dit standpunt niet. Het winstrecht kon in 2002 in aftrek worden gebracht op de behaalde winst.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De Wet IB 2001 kent de mogelijkheid om premies voor lijfrenten als uitgaven voor inkomensvoorziening in aftrek te brengen op het inkomen uit werk en woning. De lijfrente moet worden bedongen bij een professionele verzekeringsmaatschappij. Een lijfrente kan ook worden bedongen bij een in Nederland gevestigde BV die de lijfrenteverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan de BV. Over de vraag of sprake is van de overdracht van een onderneming heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen. Uit deze arresten blijkt dat het niet is toegestaan om een lijfrente te bedingen van een BV als ten tijde van de overdracht vaststaat dat de onderneming binnenkort zal worden geliquideerd of zal worden verkocht aan een derde. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De belastingdienst stelde zich op het standpunt dat deze omstandigheid zich voordeed bij de inbreng van een onderneming in een BV. Deze vond plaats in oktober 2002. Begin 2003 verkocht de BV de onderneming aan een derde. De belastingdienst weigerde de aftrek van de lijfrentepremies bij de inbrengers van de onderneming.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Volgens de rechtbank moet de beoordeling of bij het bedingen van de lijfrente al vast stond dat de onderneming aan een derde zou worden overgedragen geschieden naar de situatie op de oprichtingsdatum van de BV. De lijfrente was bedongen in de voorovereenkomst. Een BV is alleen aan voor haar oprichting en in haar naam verrichte rechtshandelingen gebonden als de BV deze rechtshandelingen bekrachtigt. Dat gebeurt meestal bij de oprichting. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Al in 2001 hadden de inbrengers de intentie om de onderneming te staken. Gezien de gebeurtenissen daarna lag de conclusie voor de hand dat er een geheel van rechtshandelingen was dat was gericht op het fiscaal zo gunstig mogelijk staken van de onderneming. De inbrengers kwamen met een afwijkende lezing van de gang van zaken. Aanvankelijk was sprake van de intentie om de onderneming te verkopen, maar die verdween toen de dochter en de schoonzoon van de inbrengers aangaven dat zij de onderneming voort wilden zetten. De verkoopactiviteiten werden op dat moment stopgezet. Vervolgens veranderden dochter en schoonzoon van gedachten en werd een koper buiten de familie gezocht. Die lezing werd ondersteund door verklaringen van diverse betrokkenen. De rechtbank vond deze verklaringen geloofwaardig. De inbrengers mochten daarom de premies voor de lijfrente ten laste van hun inkomen brengen.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Bij de overdracht van de onderneming hadden de inbrengers naast de lijfrente een winstrecht bedongen van de BV. De belastingdienst wilde het winstrecht als onderdeel van de stakingswinst in 2002 belasten. Goed koopmansgebruik laat echter toe om niet het winstrecht te belasten maar de uitkeringen in het jaar waarin zij worden ontvangen vanaf het moment waarop de uitkeringen de boekwaarde van de overgedragen onderneming overtreffen. Voorwaarde voor dit uitstel van winstneming is dat de uitkeringen uit het winstrecht voortvloeien uit de (materiƫle) onderneming die voorheen door de gerechtigde tot het winstrecht werd gedreven. De belastingdienst nam het standpunt in dat geen sprake was van een winstrecht omdat de inbrengers wisten dat de aan de BV overgedragen onderneming zou worden verkocht aan een derde. De rechtbank deelde dit standpunt niet. Het winstrecht kon in <?xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" /><st1:metricconverter w:st="on" ProductID="2002 in">2002 in</st1:metricconverter> aftrek worden gebracht op de behaalde winst.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u