
Een in Belgiƫ gevestigde BVBA was eigenaar van een verhuurd bedrijfspand in Nederland. De directeur-grootaandeelhouder (dga) van de BVBA was ook dga van een andere BVBA, die onderwaterbehuizingen voor videocamera's en onderwaterlampen produceerde. In 2002 kocht de eerste BVBA goederen van de tweede BVBA en sloeg deze op in de kelder van het door haar verhuurde pand. De goederen werden in de administratie verwerkt als voorraad.
In geschil was of deze goederen behoorden tot het vermogen van een vaste inrichting in Nederland van de BVBA.
Hof Den Bosch was van oordeel dat de activiteiten in Nederland niet meer inhielden dan de opslag van goederen, zodat van een vaste inrichting geen sprake was. In de procedure voor het hof had de BVBA aangevoerd dat zij in het verhuurde pand beschikte over een werkplaats, waar de onderwaterbehuizingen werden geassembleerd. Het hof had op die stelling niet gereageerd. Daarmee was het oordeel van het hof dat de BVBA geen onderneming dreef in Nederland onvoldoende gemotiveerd. Hof Arnhem moet de zaak nu opnieuw behandelen.