Verhuur van onroerende zaken niet langer onderneming

Een zelfstandig gevestigde architect kocht jaren geleden meerdere in het centrum van zijn woonplaats gelegen onroerende zaken. Een gedeelte daarvan ging, na intensief overleg met gemeentelijke instanties, op in een in de jaren 1993/1994 gerealiseerd winkelcentrum. De architect werd eigenaar van 11 winkels en 40 parkeerplaatsen in het winkelcentrum. In een procedure over het jaar 1996 werden de activiteiten met betrekking tot het winkelcentrum als onderneming aangemerkt. In dat jaar stopte de architect met zijn beroepsactiviteiten. De exploitatie van het winkelcentrum werd uitbesteed aan een makelaar. In de jaren 1997 tot en met 2000 verbleef de architect grote delen van het jaar in het buitenland. Na 1996 werden er geen aan- of verkopen van delen van het winkelcentrum gedaan. De vraag was of het winkelcentrum nog steeds een onderneming vormde. De architect meende van niet en merkte de inkomsten voor de jaren 1997 tot en met 2000 aan als inkomsten uit vermogen. De inspecteur legde de aanslagen in al deze jaren op conform dat standpunt. Bij de aanslagregeling voor het jaar 2001 merkte de inspecteur het winkelcentrum en de overige onroerende zaken aan als onderneming. De winst uit onderneming schatte hij op € 50.000. Bepalend voor de kwalificatie van de huuropbrengst van onroerende zaken is of de door de eigenaar verrichte werkzaamheden omvangrijker waren dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Hof Arnhem was van oordeel dat de activiteiten van de architect met betrekking tot het winkelcentrum zich van een actieve onderneming tot een passieve beleggingsactiviteit hebben ontwikkeld. Het stadium van de passieve beleggingsactiviteiten was vóór 2001 al bereikt.
Een zelfstandig gevestigde architect kocht jaren geleden meerdere in het centrum van zijn woonplaats gelegen onroerende zaken. Een gedeelte daarvan ging, na intensief overleg met gemeentelijke instanties, op in een in de jaren 1993/1994 gerealiseerd winkelcentrum. De architect werd eigenaar van 11 winkels en 40 parkeerplaatsen in het winkelcentrum.
In een procedure over het jaar 1996 werden de activiteiten met betrekking tot het winkelcentrum als onderneming aangemerkt. In dat jaar stopte de architect met zijn beroepsactiviteiten. De exploitatie van het winkelcentrum werd uitbesteed aan een makelaar. In de jaren 1997 tot en met 2000 verbleef de architect grote delen van het jaar in het buitenland. Na 1996 werden er geen aan- of verkopen van delen van het winkelcentrum gedaan. De vraag was of het winkelcentrum nog steeds een onderneming vormde.
De architect meende van niet en merkte de inkomsten voor de jaren 1997 tot en met 2000 aan als inkomsten uit vermogen. De inspecteur legde de aanslagen in al deze jaren op conform dat standpunt. Bij de aanslagregeling voor het jaar 2001 merkte de inspecteur het winkelcentrum en de overige onroerende zaken aan als onderneming. De winst uit onderneming schatte hij op € 50.000.
Bepalend voor de kwalificatie van de huuropbrengst van onroerende zaken is of de door de eigenaar verrichte werkzaamheden omvangrijker waren dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is.
Hof Arnhem was van oordeel dat de activiteiten van de architect met betrekking tot het winkelcentrum zich van een actieve onderneming tot een passieve beleggingsactiviteit hebben ontwikkeld. Het stadium van de passieve beleggingsactiviteiten was vóór 2001 al bereikt.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u