
In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de exploitatie van buitensportaccommodaties. De vragen hebben betrekking op de toepassing van het verlaagde btw-tarief. Volgens de Wet op de Omzetbelasting is dat tarief van toepassing op het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Het verlaagde tarief is niet van toepassing als de exploitant van een sportaccommodatie symbolisch lage vergoedingen rekent voor de terbeschikkingstelling of als sprake is van misbruik via een constructie waarbij een vrijgestelde sportvereniging aftrek van voorbelasting wil creëren.
De staatssecretaris is van plan in de uitvoeringssfeer ervoor te zorgen dat de toepassing van het verlaagde tarief wordt vereenvoudigd. Het komt erop neer dat het btw-tarief van 6% van toepassing is op het tegen betaling ter beschikking stellen van (buiten)sportaccommodaties door gemeenten aan sportverenigingen. Gemeenten kunnen in deze gevallen sportvelden met btw ter beschikking stellen aan sportverenigingen en aftrek van voorbelasting krijgen voor de investeringen in deze sportvelden. Het is niet nodig dat de sportvelden en de kleed- en doucheruimten door één en dezelfde exploitant ter beschikking worden gesteld aan de sportvereniging. De staatssecretaris waarschuwt dat de belastingdienst constructies waarmee sportverenigingen en gemeenten in strijd met doel en strekking van de wet trachten btw-aftrek te realiseren zal blijven bestrijden.