
Op 1 januari 2006 is de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) in werking getreden. De WIA is de opvolger van de WAO en bestaat uit twee arbeidsongeschiktheidsregelingen met elk een eigen uitkeringsregime. Een van deze regelingen is de WGA. De WIA wordt gefinancierd door premies te heffen van de werkgever. De werkgever mag maximaal de helft van de gedifferentieerde WGA-premie op de werknemer verhalen. In de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen hebben de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiƫn bepaald dat de werkgever de WGA-premie alleen kan verhalen ten laste van het nettoloon van de werknemer. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever de WGA-premie in ieder geval niet ten laste van het brutoloon wilde laten komen. Hof Den Haag was van oordeel dat de wetgever de mogelijkheid van verhaal wilde behouden, maar dat een eventueel verhaal geen invloed mag hebben op de grondslag voor de inhouding van loonheffing. De WGA-premie komt daarom niet in aftrek op het brutoloon.