
Een bedrijf dat biotechnische producten ontwikkelt, produceert en commercialiseert sloot in 2005 een overeenkomst met het ministerie van Defensie. In dat jaar ontving het bedrijf van het ministerie een bedrag van € 1.065.000. De inspecteur merkte dit bedrag aan als vergoeding voor diensten van het bedrijf en legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op ter grootte van 19/119 deel van dit bedrag.
Hof Leeuwarden was van oordeel dat de gesloten overeenkomst één prestatie omvatte. Deze prestatie bestond uit meerdere elementen, maar die waren zo nauw met elkaar verbonden dat zij niet te splitsen waren. Het doel van de overeenkomst was volgens het hof het verkrijgen van krediet voor de productontwikkeling. De door het ministerie betaalde bedragen dienden te worden terugbetaald met rente. Als tegenprestatie verkreeg het ministerie de positie van preferred buyer. Het belang van het ministerie bij de te ontwikkelen producten en de positie van preferred buyer waren geen prestatie van het bedrijf, maar hielpen om het krediet aan te trekken. Het feit dat terugbetaling niet was gegarandeerd betekende niet dat er geen sprake was van krediet. Naar het oordeel van het hof stond tegenover de ontvangst van de betalingen van het ministerie geen prestatie van het bedrijf die zou leiden tot belastbaarheid van de ontvangen bedragen.