Vergoeding van partner in joint-venture geen opbrengst deelneming
Twee BV’s gingen samen een joint-venture aan in de vorm van een gezamenlijke dochter-BV. De BV’s kwamen overeen, dat een van hen gedurende de eerste drie jaren van het bestaan van de dochtermaatschappij aan de ander een vergoeding zou betalen als de winst van de gezamenlijke dochter minder dan f 230.000 bedroeg. De BV, die de vergoeding ontving, was van mening dat dit bedrag onder de deelnemingsvrijstelling viel, zodat zij daarover geen belasting hoefde te betalen. De belastingdienst en het gerechtshof Leeuwarden waren het daarmee niet eens. Het Hof vond aannemelijk, dat de vergoeding was bedongen op grond van haar marktpositie ten opzichte van de andere partner in de joint-venture en dat deze niets van doen had met de deelneming.
Twee BV’s gingen samen een joint-venture aan in de vorm van een gezamenlijke dochter-BV. De BV’s kwamen overeen, dat een van hen gedurende de eerste drie jaren van het bestaan van de dochtermaatschappij aan de ander een vergoeding zou betalen als de winst van de gezamenlijke dochter minder dan f 230.000 bedroeg. De BV, die de vergoeding ontving, was van mening dat dit bedrag onder de deelnemingsvrijstelling viel, zodat zij daarover geen belasting hoefde te betalen. De belastingdienst en het gerechtshof Leeuwarden waren het daarmee niet eens. Het Hof vond aannemelijk, dat de vergoeding was bedongen op grond van haar marktpositie ten opzichte van de andere partner in de joint-venture en dat deze niets van doen had met de deelneming.