Vergoeding die betrekking heeft op periode voor het ontstaan van vordering is geen rente

Iemand had een optierecht op aandelen in een vennootschap. Het optierecht vormde een aanmerkelijk belang omdat het betrekking had op 7% van de aandelen. Op 31 maart 1999 werd het optierecht afgekocht tegen een koopsom van ƒ 1.750.000. Deze werd aanvankelijk schuldig gebleven. In verband daarmee betaalde de optiegever een maandelijkse vergoeding van ƒ 7.583 met ingang van 1 januari 1999 tot de datum van voldoening. Op 20 augustus 1999 betaalde de optiegever de afkoopsom vermeerderd met een vergoeding van ƒ 49.637. Volgens de belastingdienst was deze vergoeding progressief belaste rente. De voormalige optiegerechtigde was van mening dat de vergoeding als onderdeel van de verkoopprijs belast was naar het aanmerkelijk belangtarief. Rente is een vergoeding voor het schuldig blijven van een vordering. Een vergoeding die betrekking heeft op een periode voor het ontstaan van een vordering is geen rente. Dat hield in dat het deel van de vergoeding dat betrekking had op de periode van 1 januari tot 31 maart 1999 geen rente vormde en dus niet progressief was belast. De vergoeding voor zover die betrekking had op de periode na 31 maart 1999 was naar het oordeel van Hof Arnhem wel rente. Volgens de overeenkomst was sprake van een vergoeding ‘vanwege de schuldigerkenning’, die afhankelijk was van de looptijd van het krediet. Het Hof stelde de vervreemdingsprijs van het optierecht vast op ƒ 1.772.614 (ƒ 1.750.000 plus 3 x ƒ 7.538). Op dezelfde dag deed het Hof uitspraak in een procedure tegen de beschikking waarbij de inspecteur de verkrijgingsprijs voor het optierecht, dat sinds 1 januari 1997 een aanmerkelijk belang vormde, had vastgesteld op ƒ 1.196.581. Het Hof was van oordeel dat de inspecteur de verkrijgingsprijs niet te laag had vastgesteld. De winst uit aanmerkelijk belang bedroeg ƒ 576.033 en de progressief te belasten rentevergoeding ƒ 27.023.
Iemand had een optierecht op aandelen in een vennootschap. Het optierecht vormde een aanmerkelijk belang omdat het betrekking had op 7% van de aandelen. Op 31 maart 1999 werd het optierecht afgekocht tegen een koopsom van ƒ 1.750.000. Deze werd aanvankelijk schuldig gebleven. In verband daarmee betaalde de optiegever een maandelijkse vergoeding van ƒ 7.583 met ingang van 1 januari 1999 tot de datum van voldoening. Op 20 augustus 1999 betaalde de optiegever de afkoopsom vermeerderd met een vergoeding van ƒ 49.637. Volgens de belastingdienst was deze vergoeding progressief belaste rente. De voormalige optiegerechtigde was van mening dat de vergoeding als onderdeel van de verkoopprijs belast was naar het aanmerkelijk belangtarief. Rente is een vergoeding voor het schuldig blijven van een vordering. Een vergoeding die betrekking heeft op een periode voor het ontstaan van een vordering is geen rente. Dat hield in dat het deel van de vergoeding dat betrekking had op de periode van 1 januari tot 31 maart 1999 geen rente vormde en dus niet progressief was belast. De vergoeding voor zover die betrekking had op de periode na 31 maart 1999 was naar het oordeel van Hof Arnhem wel rente. Volgens de overeenkomst was sprake van een vergoeding ‘vanwege de schuldigerkenning’, die afhankelijk was van de looptijd van het krediet. Het Hof stelde de vervreemdingsprijs van het optierecht vast op ƒ 1.772.614 (ƒ 1.750.000 plus 3 x ƒ 7.538). Op dezelfde dag deed het Hof uitspraak in een procedure tegen de beschikking waarbij de inspecteur de verkrijgingsprijs voor het optierecht, dat sinds 1 januari 1997 een aanmerkelijk belang vormde, had vastgesteld op ƒ 1.196.581. Het Hof was van oordeel dat de inspecteur de verkrijgingsprijs niet te laag had vastgesteld. De winst uit aanmerkelijk belang bedroeg ƒ 576.033 en de progressief te belasten rentevergoeding ƒ 27.023.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u