Vergelijkingsgroep meerderheidsregel gelijkheidsbeginsel niet willekeurig vergroten of verkleinen

In een procedure over de WOZ-waarde van een woning deed de eigenaar van de woning een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Acht woningen waren volledig vergelijkbaar met zijn woning, lagen aan dezelfde weg en hadden een vergelijkbare inhoud en kaveloppervlakte. De gemeente had voor zeven van deze acht woningen de WOZ-waarde te laag vastgesteld. Het verschil tussen de vastgestelde WOZ-waarde en de werkelijke waarde liep op tot 40 %. Volgens de gemeente ging het om incidentele fouten en niet om door de gemeente gevoerd beleid. Naar het oordeel van Hof Arnhem kon het beroep op het gelijkheidsbeginsel slechts slagen wanneer in een meerderheid van vergelijkbare gevallen een juiste rechtstoepassing achterwege was gebleven (de meerderheidsregel). De eigenaar meende dat de groep van vergelijkbare gevallen bestond uit de door hem genoemde acht panden, waarvan vaststond dat in zeven van de acht gevallen een juiste wetstoepassing achterwege was gebleven. Volgens de gemeente was de groep van vergelijkbare gevallen groter en bestond deze uit alle in de gemeente gelegen woningen die in het kader van de wet WOZ werden gewaardeerd. Het Hof volgde het standpunt van de eigenaar en bepaalde de vergelijkingsgroep op de acht door de eigenaar genoemde panden. Het Hof vond het niet juist om binnen deze groep nader onderscheid te maken zoals de gemeente in een subsidiair standpunt had voorgesteld. De gemeente stelde de onderverdeling voor omdat de woningen door drie verschillende taxateurs getaxeerd waren. Het Hof vond dit onderscheid gekunsteld aandoen. Ook zag het Hof geen aanleiding om de groep van acht panden uit te breiden. De gemeente had niet aangevoerd waarom deze groep beter vergelijkbaar zou zijn met de woning in kwestie. Het Hof stelde de WOZ-waarde van de woning op hetzelfde bedrag als de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van een identiek pand.
In een procedure over de WOZ-waarde van een woning deed de eigenaar van de woning een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Acht woningen waren volledig vergelijkbaar met zijn woning, lagen aan dezelfde weg en hadden een vergelijkbare inhoud en kaveloppervlakte. De gemeente had voor zeven van deze acht woningen de WOZ-waarde te laag vastgesteld. Het verschil tussen de vastgestelde WOZ-waarde en de werkelijke waarde liep op tot 40 %. Volgens de gemeente ging het om incidentele fouten en niet om door de gemeente gevoerd beleid. Naar het oordeel van Hof Arnhem kon het beroep op het gelijkheidsbeginsel slechts slagen wanneer in een meerderheid van vergelijkbare gevallen een juiste rechtstoepassing achterwege was gebleven (de meerderheidsregel). De eigenaar meende dat de groep van vergelijkbare gevallen bestond uit de door hem genoemde acht panden, waarvan vaststond dat in zeven van de acht gevallen een juiste wetstoepassing achterwege was gebleven. Volgens de gemeente was de groep van vergelijkbare gevallen groter en bestond deze uit alle in de gemeente gelegen woningen die in het kader van de wet WOZ werden gewaardeerd. Het Hof volgde het standpunt van de eigenaar en bepaalde de vergelijkingsgroep op de acht door de eigenaar genoemde panden. Het Hof vond het niet juist om binnen deze groep nader onderscheid te maken zoals de gemeente in een subsidiair standpunt had voorgesteld. De gemeente stelde de onderverdeling voor omdat de woningen door drie verschillende taxateurs getaxeerd waren. Het Hof vond dit onderscheid gekunsteld aandoen. Ook zag het Hof geen aanleiding om de groep van acht panden uit te breiden. De gemeente had niet aangevoerd waarom deze groep beter vergelijkbaar zou zijn met de woning in kwestie. Het Hof stelde de WOZ-waarde van de woning op hetzelfde bedrag als de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van een identiek pand.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u