
Verenigingen zijn alleen belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting als zij een onderneming drijven. De belastingplicht is in die gevallen beperkt tot het ondernemingsgedeelte, met andere woorden, ook als een vereniging een onderneming drijft, zijn haar overige activiteiten niet belast.
Bepalend voor de belastingplicht is niet de statutaire doelstelling van de vereniging, maar de werkelijke activiteit.
Een vereniging die zich in haar activiteiten beperkte tot prestaties ten behoeve van haar leden dreef volgens Hof Amsterdam geen onderneming. Het lidmaatschap van de vereniging was gebonden aan een aantal specifieke voorwaarden. Dat de leden met hun deelname aan de activiteiten voordeel wilden behalen was niet voldoende om te concluderen dat de vereniging zelf deelnam aan het economische verkeer.