Verdieping van kantoorpand was aparte onroerende zaak voor OZB
Een kantoorgebouw bestond uit vier verdiepingen. Elke verdieping bevatte kamers die werden gebruikt als kantoor. Op de eerste verdieping bevonden zich enkele gemeenschappelijke ruimten en vijf kamers. Het kantoorgebouw werd gebruikt door verschillende huurders. De eerste verdieping was niet in haar geheel afsluitbaar; de afzonderlijke kamers wel. Dat laatste vond Hof Arnhem voldoende om de kamers die één van de huurders als kantoorruimte gebruikte gezamenlijk als een aparte onroerende zaak aan te merken. Naar het oordeel van de Hoge Raad is dat niet juist. Vervolgens moest Hof Den Haag onderzoeken of de aanslagen OZB terecht aan de huurder waren opgelegd.Volgens het Hof had het arrest van de Hoge Raad niet zonder meer tot gevolg dat de aanslagen vernietigd moesten worden. Op grond van andere feiten en omstandigheden kon de objectbepaling van de inspecteur toch juist zijn. Volgens de tekst van de Wet is een gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom, dat bestemd is om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, een onroerende zaak. Het Hof baseerde zijn oordeel op de volgende omstandigheden: (1) alle kamers op de eerste verdieping waren in gebruik bij één gebruiker, (2) die kamers waren afzonderlijk afsluitbaar, (3) het lag niet voor de hand dat de kamers op de eerste verdieping door verschillende gebruikers werden gebruikt, (4) deze kamers werden gebruikt tezamen met de toilet- en keukenvoorzieningen op de eerste verdieping, (5) die voorzieningen werden niet gebruikt door de gebruikers van andere verdiepingen. De eerste verdieping vormde als geheel een onroerende zaak ondanks dat deze niet in haar geheel afsluitbaar was. De beroepen waren ongegrond, de opgelegde aanslagen bleven in stand.
Een kantoorgebouw bestond uit vier verdiepingen. Elke verdieping bevatte kamers die werden gebruikt als kantoor. Op de eerste verdieping bevonden zich enkele gemeenschappelijke ruimten en vijf kamers. Het kantoorgebouw werd gebruikt door verschillende huurders. De eerste verdieping was niet in haar geheel afsluitbaar; de afzonderlijke kamers wel. Dat laatste vond Hof Arnhem voldoende om de kamers die één van de huurders als kantoorruimte gebruikte gezamenlijk als een aparte onroerende zaak aan te merken. Naar het oordeel van de Hoge Raad is dat niet juist. Vervolgens moest Hof Den Haag onderzoeken of de aanslagen OZB terecht aan de huurder waren opgelegd.Volgens het Hof had het arrest van de Hoge Raad niet zonder meer tot gevolg dat de aanslagen vernietigd moesten worden. Op grond van andere feiten en omstandigheden kon de objectbepaling van de inspecteur toch juist zijn. Volgens de tekst van de Wet is een gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom, dat bestemd is om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, een onroerende zaak. Het Hof baseerde zijn oordeel op de volgende omstandigheden: (1) alle kamers op de eerste verdieping waren in gebruik bij één gebruiker, (2) die kamers waren afzonderlijk afsluitbaar, (3) het lag niet voor de hand dat de kamers op de eerste verdieping door verschillende gebruikers werden gebruikt, (4) deze kamers werden gebruikt tezamen met de toilet- en keukenvoorzieningen op de eerste verdieping, (5) die voorzieningen werden niet gebruikt door de gebruikers van andere verdiepingen. De eerste verdieping vormde als geheel een onroerende zaak ondanks dat deze niet in haar geheel afsluitbaar was. De beroepen waren ongegrond, de opgelegde aanslagen bleven in stand.