Vaststelling vergoeding bij gedeeltelijke betaling in aandelen
De omzetbelasting die een ondernemer als zogenaamde voorbelasting in aftrek heeft gebracht, moet hij volgens de wet afdragen wanneer vaststaat dat hij de vergoeding niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. Bij een doorstart na een faillissement van een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting werden de vorderingen van de zogenaamde strategische schuldeisers voor 30 % voldaan in contanten en voor een deel door middel van uitgifte van aandelen. De strategische schuldeisers voldeden aan hun stortingsplicht door verrekening met het niet betaalde en niet kwijtgescholden deel van hun vordering. De belastingdienst legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op aan de fiscale eenheid die betrekking had op het niet betaalde gedeelte van de vorderingen. In geschil was welke koers daarbij moest worden gehanteerd voor de berekening van de waarde van de uitgegeven aandelen. De fiscale eenheid ging uit van de beurskoers op het moment van uitgifte van de aandelen. Het nog openstaande crediteurensaldo waarover omzetbelasting moest worden nageheven was dan nog € 2,8 miljoen. De belastingdienst hanteerde niet de beurskoers maar de tussen partijen overeengekomen uitgiftekoers van € 0,267 per aandeel als subjectieve waarde van de aandelen. Het nog openstaande crediteurensaldo bedroeg in dat geval € 5,9 miljoen. De rechtbank volgde de opvatting van de belastingdienst. De - aanvankelijk hoger vastgestelde- aanslag werd verminderd tot € 950.531.
De omzetbelasting die een ondernemer als zogenaamde voorbelasting in aftrek heeft gebracht, moet hij volgens de wet afdragen wanneer vaststaat dat hij de vergoeding niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. Bij een doorstart na een faillissement van een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting werden de vorderingen van de zogenaamde strategische schuldeisers voor 30 % voldaan in contanten en voor een deel door middel van uitgifte van aandelen. De strategische schuldeisers voldeden aan hun stortingsplicht door verrekening met het niet betaalde en niet kwijtgescholden deel van hun vordering. De belastingdienst legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op aan de fiscale eenheid die betrekking had op het niet betaalde gedeelte van de vorderingen. In geschil was welke koers daarbij moest worden gehanteerd voor de berekening van de waarde van de uitgegeven aandelen. De fiscale eenheid ging uit van de beurskoers op het moment van uitgifte van de aandelen. Het nog openstaande crediteurensaldo waarover omzetbelasting moest worden nageheven was dan nog € 2,8 miljoen. De belastingdienst hanteerde niet de beurskoers maar de tussen partijen overeengekomen uitgiftekoers van € 0,267 per aandeel als subjectieve waarde van de aandelen. Het nog openstaande crediteurensaldo bedroeg in dat geval € 5,9 miljoen. De rechtbank volgde de opvatting van de belastingdienst. De - aanvankelijk hoger vastgestelde- aanslag werd verminderd tot € 950.531.