
Werknemers die een aanmerkelijk belang hebben in de BV waarvoor zij werken dienen voor hun werkzaamheden een gebruikelijk salaris te ontvangen. Behoudens tegenbewijs moet dat salaris in ieder geval € 41.000 bedragen. In eerdere jaren was dit bedrag gelijk aan het maximum premieloon voor de WAZ van € 38.118.
Na een boekenonderzoek legde de belastingdienst aan een BV een naheffingsaanslag loonheffing op omdat aan de twee aanmerkelijk belanghouders een te laag salaris werd betaald. De grondslag voor de naheffingsaanslag was gelijk aan het verschil tussen het in de betreffende jaren geldende gebruikelijke salaris van € 38.118 en het feitelijk betaalde salaris voor beide werknemers. De rechtbank was van oordeel dat de BV er niet in was geslaagd om te bewijzen dat een lager salaris voor soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelde gebruikelijk was. Er was geen sprake van een structurele verliessituatie en er was geen bewijs voor de stelling van de BV dat beide werknemers in deeltijd werkten. Ook een vergelijking met soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelde ontbrak.
In hoger beroep heeft Hof Den Haag de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Wel vernietigde het hof de opgelegde boete.