
Volgens de Wet op de Vennootschapsbelasting moet een belastingplichtige, die een van het kalenderjaar afwijkend boekjaar wil hanteren, regelmatig boekhouden met geregelde jaarlijkse afsluitingen. Het zogenaamde 52/53 weken systeem houdt in dat ieder boekjaar wordt afgesloten aan het eind van een volle week. Bij dit systeem ontstaat eenmaal in de vijf à zes jaar een lang boekjaar van 53 weken. Als dat boekjaar begint in december van een bepaald jaar en eindigt in januari twee kalenderjaren later, voldoet het systeem niet aan de voorwaarde van geregelde jaarlijkse afsluitingen. Volgens de rechtbank Breda geldt als uitgangspunt dat in ieder opvolgend kalenderjaar een boekjaar wordt afgesloten.
In hoger beroep oordeelde Hof Den Bosch anders. Volgens het hof geldt als uitgangspunt dat de belastingheffing aansluit bij het door een belastingplichtige statutair vastgelegde boekjaar. Voor de aangifte vennootschapsbelasting is beslissend in welk kalenderjaar een boekjaar aanvangt. Zolang in elk kalenderjaar een boekjaar aanvangt, wordt over elk jaar aangifte gedaan en wordt niet, zoals de inspecteur meende, een aangiftejaar overgeslagen. In het door de belanghebbende toegepaste 52/53-wekenstelsel vangt het boekjaar aan op de eerste maandag van januari van elk kalenderjaar. Na een statutenwijziging wordt het boekjaar afgesloten op de dag voor de eerste maandag van januari van elk kalenderjaar. Daardoor is er naar het oordeel van het hof sprake van geregelde afsluitingen. Weliswaar wordt niet in elk kalenderjaar een boekjaar afgesloten, maar dat is geen probleem zolang maar ieder jaar aangifte wordt gedaan, aldus het hof.
Het hof is van oordeel dat het toegepaste 52/53-wekenstelsel voldoet aan de doelstelling van de wettelijke bepalingen, namelijk het verdelen van de totale winst in moten over (boek)jaren die min of meer een zelfde tijdsperiode omvatten.