
Ter financiering van de aankoop van een deelneming leende een BV in 2001 een bedrag van US$ 2.000.000 van een van haar aandeelhouders. In 2002 loste de BV US$ 1.500.000 af op de lening en behaalde daarbij een valutawinst van € 390.000. De BV meende dat de valutawinst onder de deelnemingsvrijstelling viel en dus was vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De tekst van de wetsbepaling luidde in 2002 dat bij het bepalen van de winst kosten die verband houden met een deelneming niet in aftrek komen, tenzij deze kosten middellijk dienstbaar zijn aan in Nederland belastbare winst. Tot de kosten die verband houden met een deelneming behoren rente en valutaresultaten op geldleningen die zijn aangegaan in de zes maanden voorafgaande aan de verwerving van de deelneming, behoudens voor zover aannemelijk is dat die leningen zijn aangegaan voor een ander doel dan de verwerving van de deelneming. Koerswinsten behoren tot de kosten die verband houden met een deelneming.
De wetsbepaling maakte onderscheid tussen binnenlandse deelnemingen en buitenlandse deelnemingen. Kosten inclusief valutaresultaten die betrekking hadden op binnenlandse deelnemingen waren aftrekbaar. Kosten inclusief valutaresultaten die betrekking hadden op buitenlandse deelnemingen waren door de werking van de deelnemingsvrijstelling niet aftrekbaar. Gevolg van dat onderscheid was dat het positieve koersresultaat op de geldlening die was aangegaan voor de aankoop van een binnenlandse deelneming als “negatieve kosten” niet onder de deelnemingsvrijstelling vielen maar belast waren.