
Nederland heeft met Brazilië een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing gesloten. Op grond van dit verdrag geldt voor rente die uit Brazilië wordt ontvangen een fictieve bronbelasting van 20% die voor verrekening met Nederlandse belasting in aanmerking komt. De wijze van verrekening volgt uit het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Dat kent een tweetal limieten voor het te verrekenen belastingbedrag, waarvan de laagste moet worden toegepast.
De eerste limiet is de in het buitenland geheven belasting, vermeerderd met uit oudere jaren nog te verrekenen bronbelasting.
De tweede limiet beperkt het te verrekenen bedrag tot het aan de buitenlandse inkomsten (in dit geval rente) toerekenbare deel van de Nederlandse belasting.
De inspecteur ging in een voorkomend geval bij de berekening van de tweede limiet uit van het nettoresultaat dat een Nederlandse vennootschap had behaald op Braziliaanse rente van € 16 miljoen. In dat nettoresultaat zat een valutaverlies van € 33 miljoen op de lening. De aftrek elders belast was daardoor beperkt tot een bedrag van € 5,5 miljoen. De eerste limiet kwam uit op een te verrekenen bedrag van € 21,5 miljoen.
Hof Amsterdam was van oordeel dat de inspecteur het valutaresultaat op de lening niet in de berekening had mogen betrekken. In het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting wordt gesproken van in de winst begrepen rente. Daaronder moet worden verstaan het inkomensbestanddeel waarover Brazilië volgens het belastingverdrag belasting mag heffen. De koersresultaten hebben geen betrekking of invloed op de rente en vallen niet onder met de rente verband houdende kosten. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris tegen de uitspraak van het hof afgewezen.