UWV beslissingsbevoegd bij voortzetting buitenlandse WW-uitkering
Een inwoonster van Frankrijk ontving een werkloosheidsuitkering. Op 1 september 2001 verhuisde zij naar Nederland en vroeg zij bij het UWV een WW-uitkering aan. Zij gaf daarbij aan dat zij vanaf 24 september 2001 een opleiding Nederlands zou gaan volgen. Het UWV weigerde aanvankelijk om een WW-uitkering toe te kennen omdat het gebruikte formulier niet was verstrekt door een bevoegde instelling. Na bezwaar besloot het UWV om, gelet op tussen Nederland en Frankrijk bestaande afspraken, de Franse werkloosheidsuitkering gedurende maximaal 3 maanden te betalen. Vervolgens werd de uitkering geschorst, omdat de vrouw volgens de werkbriefjes van 1 september 2001 tot 2 december 2001 niet had gesolliciteerd. Volgens de Nederlandse wetgeving was dat onvoldoende voor de aanspraak op een werkloosheidsuitkering. De vrouw ging in bezwaar tegen het besluit om de uitkering op te schorten. Het UWV verklaarde zich onbevoegd om de beslissing in heroverweging te nemen, omdat het Franse uitvoeringsorgaan bevoegd zou zijn om te beslissen of er aanspraak bestond op een werkloosheidsuitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde als volgt. Op grond van de EG-verordening 1408/71 had de vrouw na haar verhuizing naar Nederland gedurende maximaal drie maanden aanspraak op behoud van haar Franse werkloosheidsuitkering. De voortgezette uitkering moest worden verleend door het UWV. Deze instelling moest volgens de EG-verordening 574/72 handelen alsof het ging om door haar zelf volgens de wettelijke regeling toegekende uitkeringen. Het UWV had zich ten onrechte onbevoegd geacht om op het bezwaar te beslissen en moet een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Een inwoonster van Frankrijk ontving een werkloosheidsuitkering. Op 1 september 2001 verhuisde zij naar Nederland en vroeg zij bij het UWV een WW-uitkering aan. Zij gaf daarbij aan dat zij vanaf 24 september 2001 een opleiding Nederlands zou gaan volgen. Het UWV weigerde aanvankelijk om een WW-uitkering toe te kennen omdat het gebruikte formulier niet was verstrekt door een bevoegde instelling. Na bezwaar besloot het UWV om, gelet op tussen Nederland en Frankrijk bestaande afspraken, de Franse werkloosheidsuitkering gedurende maximaal 3 maanden te betalen. Vervolgens werd de uitkering geschorst, omdat de vrouw volgens de werkbriefjes van 1 september 2001 tot 2 december 2001 niet had gesolliciteerd. Volgens de Nederlandse wetgeving was dat onvoldoende voor de aanspraak op een werkloosheidsuitkering. De vrouw ging in bezwaar tegen het besluit om de uitkering op te schorten. Het UWV verklaarde zich onbevoegd om de beslissing in heroverweging te nemen, omdat het Franse uitvoeringsorgaan bevoegd zou zijn om te beslissen of er aanspraak bestond op een werkloosheidsuitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde als volgt. Op grond van de EG-verordening 1408/71 had de vrouw na haar verhuizing naar Nederland gedurende maximaal drie maanden aanspraak op behoud van haar Franse werkloosheidsuitkering. De voortgezette uitkering moest worden verleend door het UWV. Deze instelling moest volgens de EG-verordening 574/72 handelen alsof het ging om door haar zelf volgens de wettelijke regeling toegekende uitkeringen. Het UWV had zich ten onrechte onbevoegd geacht om op het bezwaar te beslissen en moet een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak.