
Bij de invoering van de Wet IB 2001 is het voor ondernemers in een samenwerkingsverband met hun echtgenoot of partner lastiger geworden om te voldoen aan de voorwaarden voor de ondernemersfaciliteiten. Die situatie doet zich met name voor als een van beiden niet beschikt over de vereiste beroepskwalificaties en (daardoor) hoofdzakelijk ondersteunende werkzaamheden verricht. De daaraan bestede uren tellen niet mee voor het urencriterium. Aan het urencriterium moet worden voldaan om recht te hebben op zelfstandigenaftrek.
Een huisarts en zijn echtgenote dreven de praktijk in de rechtsvorm van een openbare maatschap. Beide echtgenoten waren ondernemer voor de inkomstenbelasting. De echtgenote van de huisarts was niet medisch gekwalificeerd en verrichtte uitsluitend niet-medische werkzaamheden. Hoewel de echtgenote meer dan 1.225 uur per jaar werkzaam was in de praktijk had zij geen recht op zelfstandigenaftrek. De vraag was of de wetsbepaling die in dergelijke gevallen voorkomt dat de niet-kwalificerende partner recht heeft op zelfstandigenaftrek in strijd is met de discriminatieverboden van het IVBPR, het EVRM en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen.
Op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en zo ja, of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor verschillende behandeling van die gelijke gevallen.
De wetgever heeft met het zogenoemde gebruikelijkheidscriterium willen voorkomen dat iemand op gekunstelde wijze belastingfaciliteiten gebruikt die niet voor hem zijn bedoeld. Volgens de Hoge Raad is de wettelijke regeling niet discriminerend, zelfs niet als in de praktijk in bepaalde beroepsgroepen meer vrouwen dan mannen op deze wijze de ondernemersfaciliteiten mislopen.