Urencriterium man/vrouwfirma
Sinds 1 januari worden voor het recht op zelfstandigenaftrek bij samenwerkingsverbanden tussen verbonden personen zoals de man-vrouwfirma aanvullende eisen gesteld. Het is niet voldoende dat het urencriterium (1.225 uur per jaar besteden aan de onderneming) wordt gehaald wanneer het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen anderen dan verbonden personen wordt aangegaan. Dat is vaak het geval wanneer slechts een van beide partners in het samenwerkingsverband over de kwalificaties voor het beroep of bedrijf beschikt. In een reeks van gevallen is beslist dat de partner geen recht op zelfstandigenaftrek heeft omdat het merendeel van zijn werkzaamheden ondersteunend van aard is. Dat gold ook voor een VOF die een tandtechnisch laboratorium dreef. De VOF genereerde omzet met de vervaardiging en reparaties van gebitsprotheses. De werkzaamheden van de echtgenote op dit vlak beperkten zich tot het maken van gipsafdrukken. Gezien de vereiste specialistische kennis vond de rechtbank niet aannemelijk dat de echtgenote een inhoudelijke bijdrage kon leveren bij het verrichten van de niet-ondersteunende werkzaamheden.
Gelet op het grote verschil in werkzaamheden, waarbij de man de hoofdactiviteiten verrichtte en de vrouw de overige werkzaamheden voor haar rekening nam was het samenwerkingsverband ongebruikelijk. De rechtbank vond in ieder geval het bestaan van dergelijke samenwerkingsverbanden tussen niet verbonden personen niet aannemelijk.
De uren besteed aan werkzaamheden voor de onderneming telden niet mee voor het urencriterium. De echtgenote had daardoor geen recht op de zelfstandigenaftrek.
Sinds 1 januari worden voor het recht op zelfstandigenaftrek bij samenwerkingsverbanden tussen verbonden personen zoals de man-vrouwfirma aanvullende eisen gesteld. Het is niet voldoende dat het urencriterium (1.225 uur per jaar besteden aan de onderneming) wordt gehaald wanneer het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen anderen dan verbonden personen wordt aangegaan. Dat is vaak het geval wanneer slechts een van beide partners in het samenwerkingsverband over de kwalificaties voor het beroep of bedrijf beschikt. In een reeks van gevallen is beslist dat de partner geen recht op zelfstandigenaftrek heeft omdat het merendeel van zijn werkzaamheden ondersteunend van aard is. Dat gold ook voor een VOF die een tandtechnisch laboratorium dreef. De VOF genereerde omzet met de vervaardiging en reparaties van gebitsprotheses. De werkzaamheden van de echtgenote op dit vlak beperkten zich tot het maken van gipsafdrukken. Gezien de vereiste specialistische kennis vond de rechtbank niet aannemelijk dat de echtgenote een inhoudelijke bijdrage kon leveren bij het verrichten van de niet-ondersteunende werkzaamheden.
Gelet op het grote verschil in werkzaamheden, waarbij de man de hoofdactiviteiten verrichtte en de vrouw de overige werkzaamheden voor haar rekening nam was het samenwerkingsverband ongebruikelijk. De rechtbank vond in ieder geval het bestaan van dergelijke samenwerkingsverbanden tussen niet verbonden personen niet aannemelijk.
De uren besteed aan werkzaamheden voor de onderneming telden niet mee voor het urencriterium. De echtgenote had daardoor geen recht op de zelfstandigenaftrek.