Universitair docent is niet in dienst van de staat
Een werknemer van een Nederlandse universiteit was door de universiteit aangesteld als directeur van een kunsthistorisch instituut in Italië. Hij verrichte zijn werkzaamheden in Italië, waar hij ook woonde. De vraag was of zijn salaris in Nederland in de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen kon worden betrokken. De inspecteur beriep zich op de woonplaatsfictie van de Wet IB 2001, op grond waarvan deze werknemer geacht werd binnenlands belastingplichtig te zijn. De woonplaatsfictie houdt in dat een Nederlander in dienst bij de Nederlandse staat zijn woonplaats in Nederland heeft als hij deel uitmaakt van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland of als hij in het kader van een verdrag waarbij Nederland partij is in een ander land werkt. De rechtbank deelde de opvatting van de inspecteur niet. Noch naar de letter, noch naar de strekking achtte de rechtbank de woonplaatsfictie van toepassing. De werknemer was in dienst bij een Nederlandse universiteit en niet bij de Staat der Nederlanden. Een universiteit is een instelling met rechtspersoonlijkheid. Verder maakte de werknemer geen deel uit van een diplomatieke vertegenwoordiging. Tenslotte was de werknemer niet uitgezonden naar het buitenland in het kader van een verdrag waarbij Nederland partij is. Hof Den Bosch heeft het hoger beroep van de belastingdienst tegen de uitspraak van de rechtbank verworpen voor zover deze betrekking had op de inkomstenbelasting. Het beroep was gegrond voor zover de uitspraak betrekking had op de premieheffing volksverzekeringen. Anders dan de rechtbank had geoordeeld was de werknemer in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen.
Een werknemer van een Nederlandse universiteit was door de universiteit aangesteld als directeur van een kunsthistorisch instituut in Italië. Hij verrichte zijn werkzaamheden in Italië, waar hij ook woonde. De vraag was of zijn salaris in Nederland in de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen kon worden betrokken. De inspecteur beriep zich op de woonplaatsfictie van de Wet IB 2001, op grond waarvan deze werknemer geacht werd binnenlands belastingplichtig te zijn. De woonplaatsfictie houdt in dat een Nederlander in dienst bij de Nederlandse staat zijn woonplaats in Nederland heeft als hij deel uitmaakt van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland of als hij in het kader van een verdrag waarbij Nederland partij is in een ander land werkt. De rechtbank deelde de opvatting van de inspecteur niet. Noch naar de letter, noch naar de strekking achtte de rechtbank de woonplaatsfictie van toepassing. De werknemer was in dienst bij een Nederlandse universiteit en niet bij de Staat der Nederlanden. Een universiteit is een instelling met rechtspersoonlijkheid. Verder maakte de werknemer geen deel uit van een diplomatieke vertegenwoordiging. Tenslotte was de werknemer niet uitgezonden naar het buitenland in het kader van een verdrag waarbij Nederland partij is. Hof Den Bosch heeft het hoger beroep van de belastingdienst tegen de uitspraak van de rechtbank verworpen voor zover deze betrekking had op de inkomstenbelasting. Het beroep was gegrond voor zover de uitspraak betrekking had op de premieheffing volksverzekeringen. Anders dan de rechtbank had geoordeeld was de werknemer in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen.