
De Wet op de Loonbelasting wordt met ingang van 1 januari 2011 door de invoering van de werkkostenregeling ingrijpend gewijzigd. Deze wijzigingen hebben ook gevolg voor de Uitvoeringsregeling Loonbelasting. In plaats van aanpassing is gekozen voor een nieuwe uitvoeringsregeling: de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ook de onderdelen die niet met de werkkostenregeling samenhangen te actualiseren en is de volgorde van de Uitvoeringsregeling aangepast aan de volgorde van de Wet LB 1964.
Inhoudelijk zijn de volgende onderdelen aangepast:
• De waardering van huisvesting en inwoning op de werkplek wordt nu gesteld op € 5 per dag, onafhankelijk van het antwoord op de vraag of het inwoning van de werknemer alleen of samen met zijn gezin betreft;
• Naast de nihilwaardering voor het rentevoordeel van een personeelslening voor de eigen woning van een werknemer komt er een nihilwaardering voor personeelsleningen voor de aanschaf van een (elektrische) fiets of een elektrische scooter. Voorwaarde is het gebruik van de fiets of scooter voor het woon-werkverkeer.
• De waarde van het genot van een dienstwoning als vereiste voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gesteld op maximaal 18% van het loon op jaarbasis bij een arbeidsduur van 36 uur per week. Voorbeelden van dienstwoningen, waarvoor deze waardering geldt, zijn de portierswoning, de woning van de brugwachter of de pastorie.