Uitvoeringsbesluit Loonbelasting aangepast i.v.m. aanpassing fiscale behandeling VUT en prepensioen
De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling is per 1 januari 2005 in werking getreden. Als gevolg daarvan is de wet op de Loonbelasting op een aantal punten gewijzigd. De invoering van de wet heeft tot gevolg dat ook het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1965 moet worden aangepast. Het daartoe strekkende besluit is nu genomen door de staatssecretaris van Financiƫn. Een van de wijzigingen in de wet op de Loonbelasting is dat bij algemene maatregel van bestuur een lagere AOW-franchise bij de opbouw van het ouderdomspensioen kan worden aangegeven. De AOW-franchise is het deel van het inkomen waarover geen pensioenrechten kunnen worden opgebouwd omdat rekening moet worden gehouden met de in de toekomst te ontvangen AOW-uitkering. In het Uitvoeringsbesluit worden lager franchises gegeven, afhankelijk van het opbouwpercentage per dienstjaar.Daarnaast geeft het Uitvoeringsbesluit uitwerking aan het 40-deelnemingsjarenpensioen. Dat is een pensioen dat in aanvulling op het ouderdomspensioen fiscaal gefacilieerd kan worden opgebouwd vanaf het moment dat een werknemer 40 deelnemingsjaren heeft bereikt. Het Uitvoeringsbesluit geeft aan welke jaren als deelnemingsjaren mee kunnen tellen. Het gaat hierbij om:- de periode dat de dienstbetrekking heeft geduurd (inclusief ouderschapsverlof, sabbats- en studieverlof); - perioden waarin de werknemer in dienstbetrekking was bij een buitenlandse concernmaatschappij waar hij niet deelnam aan een pensioenregeling;- perioden van zorgverlof voor kinderen jonger dan twaalf jaar en - perioden waarin de werknemer bij een andere werkgever in dienstbetrekking was mits waardeoverdracht van pensioenkapitaal of inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden.Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het voor het deelnemingsjarenpensioen geldende maximum van 70% van het laatste pensioengevend loon verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Met de deeltijdfactor hoeft geen rekening gehouden te worden voor zover in de tien jaren direct voorafgaande aan de pensioeningangsdatum in diensttijd is gewerkt en de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband direct voorafgaand aan de aanvang van die 10-jaarsperiode.
De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling is per 1 januari 2005 in werking getreden. Als gevolg daarvan is de wet op de Loonbelasting op een aantal punten gewijzigd. De invoering van de wet heeft tot gevolg dat ook het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1965 moet worden aangepast. Het daartoe strekkende besluit is nu genomen door de staatssecretaris van Financiƫn. Een van de wijzigingen in de wet op de Loonbelasting is dat bij algemene maatregel van bestuur een lagere AOW-franchise bij de opbouw van het ouderdomspensioen kan worden aangegeven. De AOW-franchise is het deel van het inkomen waarover geen pensioenrechten kunnen worden opgebouwd omdat rekening moet worden gehouden met de in de toekomst te ontvangen AOW-uitkering. In het Uitvoeringsbesluit worden lager franchises gegeven, afhankelijk van het opbouwpercentage per dienstjaar.Daarnaast geeft het Uitvoeringsbesluit uitwerking aan het 40-deelnemingsjarenpensioen. Dat is een pensioen dat in aanvulling op het ouderdomspensioen fiscaal gefacilieerd kan worden opgebouwd vanaf het moment dat een werknemer 40 deelnemingsjaren heeft bereikt. Het Uitvoeringsbesluit geeft aan welke jaren als deelnemingsjaren mee kunnen tellen. Het gaat hierbij om:- de periode dat de dienstbetrekking heeft geduurd (inclusief ouderschapsverlof, sabbats- en studieverlof); - perioden waarin de werknemer in dienstbetrekking was bij een buitenlandse concernmaatschappij waar hij niet deelnam aan een pensioenregeling;- perioden van zorgverlof voor kinderen jonger dan twaalf jaar en - perioden waarin de werknemer bij een andere werkgever in dienstbetrekking was mits waardeoverdracht van pensioenkapitaal of inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden.Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het voor het deelnemingsjarenpensioen geldende maximum van 70% van het laatste pensioengevend loon verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Met de deeltijdfactor hoeft geen rekening gehouden te worden voor zover in de tien jaren direct voorafgaande aan de pensioeningangsdatum in diensttijd is gewerkt en de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband direct voorafgaand aan de aanvang van die 10-jaarsperiode.