Uitsluiting belastingschulden van rendementsgrondslag box 3 niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Bij de bepaling van de rendementsgrondslag in box 3 van de Wet IB 2001 wordt geen rekening gehouden met belastingschulden. Een belastingplichtige, die over een groot bedrag aan arbeidsinkomen nog inkomstenbelasting moest betalen, wilde met die belastingschuld rekening houden in box 3. Hij deed voor Hof Amsterdam een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het Hof vatte dat beroep op als een beroep op overtreding van het discriminatieverbod van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dit verdrag verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Op fiscaal gebied komt echter aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe, zowel voor de vraag of het om gelijke gaat als voor de vraag of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is.Volgens het Hof zijn belastingschulden en andere schulden voor de toepassing van het verdrag vergelijkbare gevallen. Het Hof onderzocht vervolgens of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor deze ongelijke behandeling. Bij de invoering van de Wet IB 2001 is overwogen dat het bepalen van de omvang van de rendementsgrondslag onnodig complex zou worden wanneer rekening gehouden moest worden met de precieze omvang van de belastingschulden op de peildata. Het in aftrek toelaten van belastingschulden zou leiden tot twee elkaar wederzijds beïnvloedende grootheden. Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever dit onderscheid in redelijkheid kunnen maken. Het Hof wees het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel af.
Bij de bepaling van de rendementsgrondslag in box 3 van de Wet IB 2001 wordt geen rekening gehouden met belastingschulden. Een belastingplichtige, die over een groot bedrag aan arbeidsinkomen nog inkomstenbelasting moest betalen, wilde met die belastingschuld rekening houden in box 3. Hij deed voor Hof Amsterdam een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het Hof vatte dat beroep op als een beroep op overtreding van het discriminatieverbod van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dit verdrag verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Op fiscaal gebied komt echter aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe, zowel voor de vraag of het om gelijke gaat als voor de vraag of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is.Volgens het Hof zijn belastingschulden en andere schulden voor de toepassing van het verdrag vergelijkbare gevallen. Het Hof onderzocht vervolgens of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor deze ongelijke behandeling. Bij de invoering van de Wet IB 2001 is overwogen dat het bepalen van de omvang van de rendementsgrondslag onnodig complex zou worden wanneer rekening gehouden moest worden met de precieze omvang van de belastingschulden op de peildata. Het in aftrek toelaten van belastingschulden zou leiden tot twee elkaar wederzijds beïnvloedende grootheden. Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever dit onderscheid in redelijkheid kunnen maken. Het Hof wees het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel af.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u